§ 14 UWG – vordering tot staking
- § 14 UWG – vordering tot staking
- Voorwaarden voor een vordering tot staking
- Procesbevoegdheid
- Handhaving van de vordering tot staking
- Vervallen van het herhalingsgevaar
- Afgrenzing ten opzichte van de vordering tot opheffing op grond van § 15 UWG
- Verjaring van de vordering tot staking
- Uw voordelen met juridische ondersteuning
- Veelgestelde vragen – FAQ
§ 14 UWG – vordering tot staking
De vordering tot staking op grond van § 14 UWG is het belangrijkste juridische middel om oneerlijke handelspraktijken te stoppen voordat er verdere mededingingsinbreuken ontstaan. Zij stelt bepaalde concurrenten, belangenorganisaties en wettelijk bevoegde organisaties in staat om op te treden tegen onrechtmatig gedrag in de mededinging en de voortzetting daarvan door de rechter te laten verbieden. Het doel is niet het bestraffen van een onderneming, maar het voorkomen van verdere inbreuken.
De vordering tot staking op grond van § 14 UWG geeft concurrenten en bepaalde verenigingen het recht om oneerlijk mededingingsgedrag door de rechter te laten stoppen, voordat er verdere nadelen voor marktdeelnemers ontstaan.
Peter HarlanderHarlander & Partner Rechtsanwälte „De bijzondere kracht van de vordering tot staking ligt erin dat zij al kan ingrijpen bij dreigende of herhaalde mededingingsinbreuken.“
Betekenis van de vordering tot staking in het UWG
De vordering tot staking op grond van § 14 UWG behoort tot de belangrijkste instrumenten van het Oostenrijkse mededingingsrecht. Het doel is om oneerlijk gedrag zo vroeg mogelijk te stoppen, voordat nadelen voor concurrenten, consumenten of de hele markt zich bestendigen.
Anders dan een schadevergoedingsvordering vereist de vordering tot staking niet dat er al financiële schade is ontstaan. Doorslaggevend is veeleer dat er sprake is van onrechtmatig gedrag of dat dit onmiddellijk dreigt. Daardoor maakt de wet een snelle aanpak van mededingingsinbreuken mogelijk.
De vordering tot staking zorgt ervoor dat ondernemingen zich aan dezelfde mededingingsregels moeten houden. Daardoor kunnen prestaties eerlijk met elkaar concurreren en nemen consumenten hun beslissingen op basis van correcte informatie in plaats van op basis van oneerlijke methoden.
Voorwaarden voor een vordering tot staking
Een vordering tot staking ontstaat niet bij elke mededingingsinbreuk. De wet vereist dat aan bepaalde voorwaarden is voldaan, zodat een rechter de betwiste handeling kan verbieden.
In beginsel moeten de volgende elementen samenkomen:
- Verbodsplicht
- Gevaar van een eerste inbreuk of
- Herhalingsgevaar
Ontbreekt een van deze elementen, dan bestaat er geen vordering tot staking.
De stakingsplicht vloeit voort uit de bepalingen van het mededingingsrecht. Wie deze regels schendt of een schending onmiddellijk voorbereidt, moet dit gedrag nalaten.
Daarnaast vereist de wet een gevaar voor toekomstige rechtsinbreuken. Daarbij maakt het mededingingsrecht onderscheid tussen het gevaar van een eerste inbreuk en het herhalingsgevaar. Beide situaties rechtvaardigen een gerechtelijke vordering tot staking, hoewel zij duidelijk verschillen in hun voorwaarden.
Belangrijk is bovendien dat de vordering tot staking geen schuld vereist. Ook wie door nalatigheid of onbedoeld het mededingingsrecht schendt, kan tot staking worden verplicht.
Verbodsplicht
De stakingsplicht vormt de juridische basis van elke vordering tot staking. Zij verplicht een ondernemer om een bepaald gedrag in de toekomst niet meer te stellen of om een onmiddellijk dreigend onrechtmatig gedrag na te laten.
Zodra gedrag in strijd is met de regels van eerlijke mededinging, mag dit niet worden voortgezet. De vordering tot staking dient ertoe deze verplichting zo nodig gerechtelijk af te dwingen. Het doel is verdere mededingingsinbreuken te voorkomen en een eerlijke mededinging te waarborgen.
Voor het bestaan van een stakingsplicht is het niet van belang of de verantwoordelijke opzettelijk heeft gehandeld. Doorslaggevend is uitsluitend dat het gedrag in strijd is met de mededingingsrechtelijke voorschriften is of dat een dergelijke inbreuk onmiddellijk dreigt.
Gevaar van een eerste inbreuk
Een vordering tot staking kan al ontstaan voordat het überhaupt tot een mededingingsinbreuk is gekomen. In dat geval spreekt men van gevaar van een eerste inbreuk.
Er is sprake van gevaar van een eerste inbreuk wanneer concrete omstandigheden erop wijzen dat in de nabije toekomst onrechtmatig gedrag zal worden gesteld. De loutere mogelijkheid van een inbreuk volstaat niet. Er moeten veeleer begrijpelijke aanwijzingen zijn die een op handen zijnde mededingingsinbreuk doen verwachten.
Dergelijke aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld voorbereidingshandelingen, concrete reclameaankondigingen of andere maatregelen zijn die doen vermoeden dat een oneerlijke handelspraktijk zal worden uitgevoerd. Hoe concreter de signalen, hoe eerder een preventieve vordering tot staking kan bestaan.
Omdat er nog geen inbreuk heeft plaatsgevonden, moet de eiser in geval van een geschil het gevaar van een eerste inbreuk aantonen. De rechter onderzoekt daarbij of er, gelet op de omstandigheden van het individuele geval, daadwerkelijk gevaar bestaat dat het in de nabije toekomst tot een rechtsinbreuk komt.
Herhalingsgevaar
Heeft er al een mededingingsinbreuk plaatsgevonden, dan staat het herhalingsgevaar centraal in de juridische beoordeling. In de praktijk vormt dit de meest voorkomende basis voor een vordering tot staking.
De wet gaat ervan uit dat wie al het mededingingsrecht heeft geschonden, dergelijk gedrag opnieuw zal stellen. Daarom wordt het herhalingsgevaar vermoed. De rechthebbende hoeft dus niet afzonderlijk te bewijzen dat een verdere inbreuk dreigt.
Voor de betrokkene betekent dit een aanzienlijke verlichting bij de handhaving van zijn rechten. In plaats van het gevaar van een nieuwe rechtsinbreuk te moeten aantonen, kan hij zich beroepen op het wettelijke vermoeden.
Procesbevoegdheid
Niet iedereen kan een vordering tot staking op grond van § 14 UWG instellen. De wet bepaalt nauwkeurig welke personen en organisaties bevoegd zijn om tegen mededingingsinbreuken op te treden. Deze regeling moet ervoor zorgen dat inbreuken doeltreffend worden vervolgd, terwijl misbruik van procedures wordt voorkomen.
De procesbevoegdheid sluit in de eerste plaats aan bij de vraag wie door de mededingingsinbreuk wordt getroffen of wiens belangen door het betwiste gedrag worden geraakt. Naast concurrenten kunnen daarom ook bepaalde verenigingen en instellingen optreden.
Sebastian RiedlmairHarlander & Partner Rechtsanwälte „Wie tegen oneerlijke mededinging wil optreden, moet eerst nagaan of de wet hem überhaupt procesbevoegdheid toekent.“
Direct en indirect getroffen concurrenten
De belangrijkste groep rechthebbenden zijn de concurrenten. Daaronder verstaat de wet ondernemers die goederen of diensten van dezelfde of verwante aard aanbieden en zich richten op dezelfde of een vergelijkbare klantenkring.
Procesbevoegdheid bestaat niet alleen voor ondernemingen die door de mededingingsinbreuk direct zijn benadeeld. Ook concurrenten die slechts indirect worden getroffen, kunnen onder bepaalde voorwaarden een vordering tot staking instellen.
De achtergrond is dat mededingingsinbreuken vaak niet alleen afzonderlijke ondernemingen benadelen. Wie zich met oneerlijke methoden voordelen verschaft, beïnvloedt vaak de mededingingsvoorwaarden van een hele sector. Daarom volstaat het dat er een concurrentieverhouding tussen de ondernemingen bestaat. Het is voldoende dat hun activiteiten raakvlakken hebben en dat zij zich richten op dezelfde klantenkring.
Concurrerende ondernemingen kunnen met name bij de volgende mededingingsinbreuken een vordering tot staking instellen:
- Oneerlijke handelspraktijken (§ 1 UWG)
- Agressieve handelspraktijken (§ 1a UWG)
- Misleidende handelspraktijken (§ 2 UWG)
- Vergelijkende reclame (§ 2a UWG)
- Publicatie van een misleidende mededeling in een krant (§ 3 UWG)
- Omkoping van werknemers en gevolmachtigden (§ 10 UWG)
Verenigingen en instellingen
Bijzondere betekenis komt daarbij toe aan verenigingen ter bevordering van economische belangen van ondernemers. Dergelijke verenigingen kunnen tegen mededingingsinbreuken optreden, ook als zij zelf niet rechtstreeks worden getroffen.
Daarnaast kent de wet meerdere instellingen een eigen procesbevoegdheid toe. Daartoe behoren onder meer de Wirtschaftskammer Österreich, de Bundeskammer für Arbeiter und Angestellte, de Präsidentenkonferenz der Landwirtschaftskammern Österreichs, de Österreichische Gewerkschaftsbund en de Bundeswettbewerbsbehörde.
Zij kunnen optreden bij de volgende inbreuken:
- Oneerlijke handelspraktijken tegenover concurrenten (§ 1 UWG)
- Agressieve handelspraktijken (§ 1a UWG)
- Misleidende handelspraktijken (§ 2 UWG)
- Vergelijkende reclame (§ 2a UWG)
Bij agressieve of misleidende handelspraktijken kan bovendien de Verein für Konsumenteninformation optreden. Daarmee moet worden gewaarborgd dat mededingingsinbreuken niet alleen door afzonderlijke ondernemingen worden vervolgd, maar ook in het belang van een goed functionerende markt kunnen worden bestreden.
Consumenten
Voor individuele consumenten voorziet § 14 UWG niet in een algemene procesbevoegdheid. Het mededingingsrecht dient weliswaar ook ter bescherming van consumenten, maar de handhaving gebeurt door concurrenten, verenigingen en wettelijk aangewezen instellingen.
De wetgever beoogt daarmee mededingingsinbreuken centraal en efficiënt te bestrijden. In plaats van talrijke individuele procedures te voeren, moeten gespecialiseerde rechthebbenden tegen oneerlijke handelspraktijken optreden.
Consumenten blijven echter niet onbeschermd. De Verein für Konsumenteninformation (VKI) kan vorderingen tot staking instellen wanneer consumenten door bepaalde handelspraktijken worden benadeeld. Daartoe behoren in het bijzonder:
- Agressieve handelspraktijken § 1a UWG
- Misleidende handelspraktijken § 2 UWG
- Vergelijkende reclame § 2a UWG
Handhaving van de vordering tot staking
Wie door een mededingingsinbreuk wordt getroffen, kan zijn vordering tot staking buitengerechtelijk of gerechtelijk handhaven. In veel gevallen wordt de verantwoordelijke eerst verzocht het betwiste gedrag te staken. Reageert hij niet of wijst hij de eis af, dan kan de vordering bij de rechter worden ingesteld.
De handhaving heeft tot doel verdere mededingingsinbreuken zo snel mogelijk te voorkomen. Juist in het mededingingsrecht speelt tijd vaak een doorslaggevende rol. Hoe langer onrechtmatig gedrag voortduurt, hoe groter de economische nadelen voor concurrenten en consumenten kunnen worden.
Stakingsvordering
De stakingsvordering is het centrale instrument voor de gerechtelijke handhaving van de vordering tot staking. Daarmee verlangt de eiser dat de rechter de gedaagde een bepaald mededingingsrechtelijk onrechtmatig gedrag voor de toekomst verbiedt.
Voorwaarde voor een succesvolle vordering is het bestaan van een stakingsplicht en van gevaar van een eerste inbreuk of herhalingsgevaar. Deze voorwaarden moeten uiterlijk bij het einde van de behandeling in eerste aanleg aanwezig zijn.
Komt de rechter tot de conclusie dat er sprake is van een mededingingsinbreuk en dat verdere inbreuken te vrezen zijn, dan vaardigt hij een overeenkomstig stakingsbevel uit. Overtreedt de gedaagde dit verbod later, dan kunnen verdere juridische stappen volgen, tot en met executie.
Stakingsschikking
Niet elk mededingingsgeschil eindigt met een vonnis. Vaak komen de betrokkenen een stakingsschikking overeen.
Daarbij verplicht de wederpartij zich om het betwiste gedrag in de toekomst na te laten. Voor beide partijen biedt een schikking vaak voordelen. Gerechtelijke procedures kunnen worden vermeden, kosten worden verlaagd en juridische onzekerheden sneller worden weggenomen.
Een stakingsschikking is bovendien van belang voor de vraag van het herhalingsgevaar. Volgens de rechtspraak kan een serieus bedoeld en voldoende ruim aanbod tot schikking een aanwijzing zijn dat er in de toekomst geen verdere inbreuken te verwachten zijn.
Niet elk schikkingsaanbod volstaat echter. Uit de schikking moet blijken dat de verantwoordelijke het betwiste gedrag daadwerkelijk wil staken. Blijven er twijfels over die bereidheid bestaan, dan kan het herhalingsgevaar ondanks een schikkingsaanbod toch blijven bestaan.
Vervallen van het herhalingsgevaar
Het herhalingsgevaar bestaat niet onbeperkt. Onder bepaalde voorwaarden kan het vervallen, waardoor ook de grondslag voor een vordering tot staking wegvalt.
Vervallen kan worden aangenomen wanneer de verantwoordelijke ondubbelzinnig laat zien dat hij in de toekomst geen mededingingsinbreuken meer zal plegen. De loutere bewering volstaat daarvoor echter niet. Er moeten objectieve omstandigheden zijn die een herhaling onwaarschijnlijk doen lijken.
Een dergelijk verval kan aanwezig zijn wanneer de rechtmatige toestand volledig is opgeheven en de verantwoordelijke het betwiste gedrag niet langer verdedigt. Ook een serieus aanbod tot staking of de erkenning van de ingestelde vordering kan tegen het bestaan van herhalingsgevaar pleiten.
Of het herhalingsgevaar daadwerkelijk is vervallen, hangt altijd af van de omstandigheden van het individuele geval.
Afgrenzing ten opzichte van de vordering tot opheffing op grond van § 15 UWG
De vordering tot staking en de vordering tot opheffing dienen verschillende doelen, ook al worden zij in de praktijk vaak samen ingesteld.
De vordering tot staking is op de toekomst gericht. Zij moet voorkomen dat onrechtmatig gedrag opnieuw wordt gesteld of voor het eerst wordt verwezenlijkt.
De vordering tot opheffing op grond van § 15 UWG grijpt daarentegen aan bij een reeds bestaande onrechtmatige toestand. Het doel is de gevolgen van een mededingingsinbreuk weg te nemen en zo de rechtmatige situatie te herstellen.
Beide vorderingen vullen elkaar aan. Terwijl de vordering tot staking toekomstige inbreuken moet voorkomen, zorgt de vordering tot opheffing ervoor dat reeds ingetreden mededingingsverstoringen niet blijven voortbestaan.
Verjaring van de vordering tot staking
Ook vorderingen tot staking kunnen niet onbeperkt worden ingesteld. Het UWG voorziet hiervoor in bijzondere verjaringstermijnen.
De subjectieve verjaringstermijn bedraagt zes maanden. Zij begint zodra de rechthebbende kennis heeft gekregen van de wetsinbreuk en van de persoon van de verantwoordelijke. Vanaf dat moment moet de vordering binnen zes maanden gerechtelijk worden ingesteld.
Onafhankelijk daarvan geldt een objectieve verjaringstermijn van drie jaar vanaf de wetsinbreuk. Na het verstrijken van deze termijn kan de vordering tot staking niet meer gerechtelijk worden afgedwongen, zelfs niet als de rechthebbende pas later van de inbreuk kennis heeft gekregen.
De korte verjaringstermijn past bij het doel van het mededingingsrecht. Mededingingsinbreuken moeten snel worden opgehelderd en niet pas jaren later gerechtelijk worden behandeld.
Een tijdige juridische toetsing helpt om termijnen na te leven en bestaande vorderingen tijdig af te dwingen.
Uw voordelen met juridische ondersteuning
Mededingingsrechtelijke geschillen ontwikkelen zich vaak zeer snel. Al één enkele reclame-uiting, een ontoelaatbare handelspraktijk of een misleidende informatie kan tot aanzienlijke juridische en economische gevolgen leiden. Tegelijkertijd gelden bij de vordering tot staking tal van bijzonderheden, bijvoorbeeld bij het herhalingsgevaar, het gevaar van een eerste inbreuk of de juiste formulering van een stakingsverzoek.
Een advocatentoetsing helpt om risico’s vroegtijdig te herkennen en de passende strategie te kiezen. Dat geldt zowel voor ondernemingen die hun rechten willen handhaven als voor bedrijven die met een aanmaning of vordering worden geconfronteerd.
Uw voordelen in één oogopslag:
- Rechtszekere inschatting van de slaagkansen van een vordering tot staking of van een verweer tegen ongegronde vorderingen.
- Professionele formulering en handhaving van vorderingen, zodat mededingingsinbreuken doeltreffend en duurzaam worden beëindigd.
- Voorkomen van kostbare fouten, met name bij termijnen, schikkingsaanbiedingen en gerechtelijke procedures.
Peter HarlanderHarlander & Partner Rechtsanwälte „Vroegtijdig juridisch advies schept duidelijkheid, vermindert economische risico’s en vergroot de kans op een snelle en duurzame oplossing van het conflict. Wie zijn positie tijdig veiligstelt, kan mededingingsinbreuken vaak al vooraf doeltreffend voorkomen. “