Helaas heeft de wetgever de advocatentariefwet noch overzichtelijk noch gemakkelijk te begrijpen gemaakt. Daarom is het voor leken bijna onmogelijk om vooraf te berekenen welk honorarium de advocatentariefwet voorziet voor de door de advocatentariefwet geregelde advocatendiensten. Ook wij advocaten gebruiken speciale software voor de honorariumberekening.

Ons kantoor biedt daarom voor nieuwe cliënten een eerste juridisch consult aan, dat met name ook dient om de hoogte van het te verwachten honorarium te bespreken.

Advocatentariefwet

Onderwerp van het tarief
§ 1

(1) Advocaten hebben in civiele procedures en in arbitrageprocedures volgens §§ 577 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, evenals in strafprocedures over een particuliere aanklacht en voor de vertegenwoordiging van private partijen, recht op vergoeding volgens de volgende bepalingen en het bijgevoegde tarief, dat een integraal onderdeel vormt van deze federale wet. De tariefbedragen die voortvloeien uit rekenkundige bewerkingen voorgeschreven in het tarief worden afgerond op volle 10 cent naar boven of beneden.
(2) De voorschriften van deze federale wet gelden, voor zover hierna niet anders is bepaald, zowel in de relatie tussen de advocaat en de door hem vertegenwoordigde partij als bij het vaststellen van de kosten die de tegenpartij moet vergoeden, ook wanneer de advocaat in eigen zaak kosten vergoed moet krijgen van de tegenpartij. Ze gelden ook wanneer de daarin genoemde diensten door notarissen worden verricht, voor zover de notaris tot een dergelijke dienst bevoegd is en de vergoeding niet in het notaristarief of in het tarief voor de vergoeding van notarissen als gerechtelijke lasthebbers is geregeld.

Beperking van de geldigheid van het tarief
§ 2

(1) Het recht op vrije overeenkomst wordt door het tarief niet aangetast.

(2) Ook wanneer er geen vergoeding is overeengekomen, kan de advocaat een hogere aanspraak dan in het tarief voorzien tegen deze partij doen gelden, indien dit gerechtvaardigd wordt door bijzondere omstandigheden of door een door zijn partij veroorzaakt bijzonder beroep op zijn diensten.

Berekeningsgrondslag
§ 3

Het voor de toepassing van een bepaald tarief maatgevende bedrag (berekeningsgrondslag) wordt in het civiel proces berekend naar de waarde van het geschil, in de executie(zekerheids)procedure naar de waarde van de aanspraak (§ 13), in de insolventie- en herstructureringsprocedure voor een schuldeiser naar de hoogte van de aangemelde vordering inclusief bijkomende kosten, in de niet-contentieuze procedure naar de waarde van het procesonderwerp.
Let op
Is alleen van toepassing als de zaak na 31 december 2004
aanhangig is gemaakt. Op alle eerder aanhangig gemaakte procedures
blijven deze bepalingen in hun tot dan toe geldende
versie van toepassing (vgl. Art. 10 § 2, BGBl. I Nr. 113/2003).

§ 4
Voor zover hierna niet anders is bepaald, richt de berekeningsgrondslag (§ 3) zich naar de voorschriften van §§ 54 tot 59 van de Jurisdictienorm, in de niet-contentieuze procedure, wanneer het onderwerp niet uit een geldbedrag bestaat, echter naar de waarde die de partij in haar verzoek als waarde van het procesonderwerp heeft aangegeven.
Let op
Is alleen van toepassing als de zaak na 31 december 2004
aanhangig is gemaakt. Op alle eerder aanhangig gemaakte procedures
blijven deze bepalingen in hun tot dan toe geldende
versie van toepassing (vgl. Art. 10 § 2, BGBl. I Nr. 113/2003).

§ 5
(1) Wordt slechts een deel van een kapitaalvordering gevorderd, dan is alleen het gevorderde deel maatgevend. Wordt het overschot gevorderd dat zich uit de vergelijking van de vorderingen die beide partijen tegen elkaar hebben voortkomt, dan is het bedrag van het gevorderde overschot maatgevend. (2) Geschillen volgens § 37 van de Executieordening worden gewaardeerd naar de waarde van de aanspraak (§ 13) waarvoor executie wordt gevoerd, maar als de in executie genomen zaken een lagere waarde hebben, naar deze. Richt de vordering zich tegen meerdere gedaagden en wordt over de verplichting tot kostenvergoeding in één beslissing geoordeeld, dan geldt voor gemeenschappelijke prestaties als berekeningsgrondslag de hoogste van de aanspraken, maar als de waarde van de in executie genomen zaken lager is, deze. De kosten worden verdeeld naar verhouding van de voor de afzonderlijke gedaagden maatgevende proceswaarden.

§ 6
Aanspraken in buitenlandse valuta worden gewaardeerd volgens de koers op het tijdstip van de beslissing of de schikking over de verplichting tot kostenvergoeding.
Let op
Is alleen van toepassing als de zaak na 31 december 2004
aanhangig is gemaakt. Op alle eerder aanhangig gemaakte procedures
blijven deze bepalingen in hun tot dan toe geldende
versie van toepassing (vgl. Art. 10 § 2, BGBl. I Nr. 113/2003).

§7 (1) Vindt de gedaagde de waardering van het procesonderwerp volgens §§ 56 of 59 van de Jurisdictienorm door de eiser te hoog of te laag, dan kan hij uiterlijk bij de eerste voor de mondelinge behandeling bepaalde zitting de waardering betwisten. Wordt de waarde van het procesonderwerp in de niet-contentieuze procedure door de partijen verschillend aangegeven, dan wordt dit gelijkgesteld aan een betwisting van de waardering. Vindt de gedaagde de waardering van het procesonderwerp volgens de paragrafen 56 of 59 van de Jurisdictienorm door de eiser te hoog of te laag, dan kan hij uiterlijk bij de eerste voor de mondelinge behandeling bepaalde zitting de waardering betwisten. Wordt de waarde van het procesonderwerp in de niet-contentieuze procedure door de partijen verschillend aangegeven, dan wordt dit gelijkgesteld aan een betwisting van de waardering. (2) Bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen moet de rechtbank het procesonderwerp voor de toepassing van deze federale wet binnen het kader van de door de partijen gestelde bedragen waarderen, zo mogelijk zonder verdere onderzoeken en zonder de afhandeling wezenlijk te vertragen of kosten te veroorzaken. Hetzelfde geldt in de niet-contentieuze procedure voor de waardering van het procesonderwerp. Tegen deze beschikking is geen rechtsmiddel mogelijk. Let op Is alleen van toepassing als de zaak na 31 december 2004 aanhangig is gemaakt. Op alle eerder aanhangig gemaakte procedures blijven deze bepalingen in hun tot dan toe geldende versie van toepassing (vgl. Art. 10 § 2, BGBl. I Nr. 113/2003 ).

§ 7a
(1) In collectieve procedures tot herstel volgens §§ 623 e.v. WBR moet de Gekwalificeerde Instelling een tussentijds vaststellingsverzoek volgens § 624 lid 2 WBR reeds in de collectieve vordering tot herstel in bedragen waarderen. De Gekwalificeerde Instelling is bij deze waardering niet gebonden aan wettelijke waarderingsregels. Betwist de gedaagde een dergelijke waardering niet uiterlijk bij de eerste voor de mondelinge behandeling bepaalde zitting, dan moet de rechtbank dit bedrag als berekeningsgrondslag (§ 3) voor de gehele collectieve procedure tot herstel tot aan de beslissing over het tussentijds vaststellingsverzoek hanteren. Laat de Gekwalificeerde Instelling een waardering achterwege of volgt een tijdige betwisting van de waardering door de gedaagde, dan moet bij het vaststellen van de berekeningsgrondslag van het tussentijds vaststellingsverzoek in de collectieve procedure tot herstel volgens de §§ 4 en 12 worden gehandeld; § 7 lid 2 is van toepassing. (2) De collectieve vordering tot herstel (§ 624 WBR) en alle schriftelijke stukken of zittingen die alleen of ook betrekking hebben op een tussentijds vaststellingsverzoek van de Gekwalificeerde Instelling volgens § 624 lid 2 WBR, worden vergoed op basis van de berekeningsgrondslag volgens lid 1. (3) In afwijking van lid 1 en 2 worden de toetredingsverklaringen volgens § 628 WBR en alle andere schriftelijke stukken en zittingen die alleen betrekking hebben op individuele aanspraken, vergoed volgens de voor het betreffende schriftelijke stuk of de betreffende zitting geldende berekeningsgrondslag.
Let op
Is alleen van toepassing als de zaak na 31 december 2004
aanhangig is gemaakt. Op alle eerder aanhangig gemaakte procedures
blijven deze bepalingen in hun tot dan toe geldende
versie van toepassing (vgl. Art. 10 § 2, BGBl. I Nr. 113/2003).

§ 8
(1) Verandert in de loop van een proces of niet-contentieuze procedure de waarde van een niet in geld bestaand procesonderwerp zodanig dat de uitgevoerde waardering kennelijk niet meer overeenkomt met de huidige waardeverhoudingen, dan moet bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen de berekeningsgrondslag op verzoek van een partij door de rechtbank volgens § 7 opnieuw worden vastgesteld. In de procedure voor het cassatie- of cassatierekestgerecht kan dit verzoek in het cassatie- of cassatierekestantwoord worden gedaan; wanneer het verzoek in het cassatie- of cassatierekestantwoord wordt gedaan, kan het cassatie- of cassatierekestgerecht een reactie van de cassatie- of cassatierekestindiener inwinnen.
(2) Werd in de loop van een procedure de berekeningsgrondslag volgens lid 1 gewijzigd, dan is bij het vaststellen van de kosten van de gehele aan deze kostenbepaling voorafgaande procedure de op het tijdstip van de beslissing of de schikking over de verplichting tot kostenvergoeding geldende proceswaarde maatgevend.
(3) Lid 2 geldt ook in de rechtsmiddelprocedure, voor de kosten van de in de instantieketen ondergeschikte gerechten echter alleen dan, wanneer deze kosten door het gerecht van hogere instantie worden vastgesteld. Werden de beslissingen van ondergeschikte gerechten in de instantieketen geheel of gedeeltelijk vernietigd, dan moet aan de nieuwe beslissing over de hoofdzaak ook bij het vaststellen van de kosten van die gerechten, waarvan de beslissingen zijn vernietigd, de laatst vastgestelde proceswaarde of procedurewaarde ten grondslag worden gelegd.
(4) Lid 3 geldt ook dan, wanneer de volgens § 6 voor de waardering maatgevende omrekeningskoers zich tijdens de instantieketen heeft gewijzigd.

§ 9
(1) Aanspraken op betaling van onderhouds- of verzorgingsbedragen en op betaling van renten in geval van lichamelijk letsel of het overlijden van een persoon worden gewaardeerd met het drievoudige van de jaarlijkse uitkering. Wordt de aanspraak voor een kortere tijd dan drie jaar geldend gemaakt, dan dient het totaalbedrag van de voor die tijd gevorderde uitkeringen als berekeningsgrondslag.
(2) Wordt een verhoging of vermindering van de in lid 1 genoemde bedragen gevorderd, dan wordt het drievoudige van de jaarlijkse uitkering van de gevorderde verhoging of vermindering als berekeningsgrondslag aangenomen.
(3) Aanspraken op betaling van partneronderhoud of kinderalimentatie inclusief de aanspraken op betaling van voorlopig onderhoud worden gewaardeerd met het enkelvoudige van de jaarlijkse uitkering. Lid 1 laatste zin en lid 2 zijn van overeenkomstige toepassing.
Let op
Is alleen van toepassing als de zaak na 31 december 2004
aanhangig is gemaakt. Op alle eerder aanhangig gemaakte procedures
blijven deze bepalingen in hun tot dan toe geldende
versie van toepassing (vgl. Art. 10 § 2, BGBl. I Nr. 113/2003).

§ 10
Het onderwerp wordt gewaardeerd:
1. in geschillen over bezitsstoringsvorderingen met 800 euro;
2. in geschillen uit huurovereenkomst en in geschillen over ontruimingsvorderingen
a) bij bedrijfsruimten, bij woningen waarvan het gebruiksoppervlak 90 m2 overschrijdt, en bij overige objecten met de uit de laatste 12 maanden voor indiening van de opzegging of de vordering blijkende jaarhuur, maar minimaal, alsook in de gevallen waarin deze berekeningsgrondslag in de opzegging of vordering niet cijfermatig wordt gesteld, met 2.000 euro,
b) bij woningen waarvan het gebruiksoppervlak 60 m2 overschrijdt en die niet onder punt a vallen, met 1.500 euro,
c) bij kleinere woningen met 1.000 euro;
3. in niet-contentieuze procedures volgens § 37 lid 1 MRG, § 52 lid 1 WEG 2002, § 22 lid 1 WGG, § 25 HeizKG en de Kleintuinwet
a) bij objectgerelateerde aanspraken
aa) bij bedrijfsruimten, bij woningen waarvan het gebruiksoppervlak 90 m2 overschrijdt, en bij garages met meer dan twee parkeerplaatsen, wanneer het onderwerp niet uit een geldbedrag bestaat, met 2.000 euro,
anders hoogstens met ………………………. 6.000 euro,
bb) bij woningen met een gebruiksoppervlak van meer dan 60 m2 en tot 90 m2, wanneer het onderwerp niet uit een geldbedrag bestaat, met 1.500 euro, anders hoogstens met 4.500 euro,
cc) bij andere objecten, wanneer het onderwerp niet uit een geldbedrag bestaat, met 1.000 euro,
anders hoogstens met ………………………….. 3.000 euro
b) bij onroerendgoedgerelateerde aanspraken
aa) bij onroerende zaken met meer dan vijftig huurobjecten respectievelijk voor appartementsrecht geschikte objecten (§ 2 lid 2 WEG 2002), wanneer het onderwerp niet uit een geldbedrag bestaat, met 4.000 euro,
anders hoogstens met ………………………… 12.000 euro
bb) bij andere onroerende zaken, wanneer het onderwerp niet uit een geldbedrag bestaat, met 2.500 euro,
anders hoogstens met ………………………… 7.500 euro
4. a) in huwelijkszaken met 6.000 euro,
b) in geschillen over de echtelijke afstamming en in geschillen over het vaderschap van een buitenechtelijk kind met 2.400 euro;
de proceswaarde van de met geschillen volgens punt a en b verbonden vermogensrechtelijke aanspraken wordt hierbij opgeteld;
5. in zaken van het handels- en coöperatieregister, voor zover uit het verzoek geen andere waarde blijkt, met het bedrijfskapitaal, maar minimaal met de volgende bedragen:
a) bij eenmanszaken met 3.000 euro,
b) bij naamloze vennootschappen met 70.000 euro,
c) bij besloten vennootschappen met 10.000 euro,
d) bij andere vennootschappen en bij coöperaties met 15.000 euro; bij verzoeken tot inschrijving van een besloten vennootschap op basis van een verklaring die voldoet aan de voorwaarden van § 5 lid 8 derde zin NTG wordt het onderwerp gewaardeerd met 1.000 euro.
6. in geschillen over vorderingen volgens § 1330 ABGB, voor zover het onderwerp niet uit een geldbedrag bestaat,
a) wanneer de bewering in een medium (§ 1 Z 1 Mediawet) is verspreid, hoogstens met 21.000 euro,
b) anders hoogstens met 11.000 euro; bij vorderingen tot staking volgens § 549 WBR wordt het onderwerp gewaardeerd met 5.000 euro;
6a. in arbeidsrechtelijke zaken volgens § 54 lid 1 ASGG hoogstens met 24.000 euro;
6b. in geschillen volgens § 502 lid 5 Z 3 WBR minimaal met 4.500 euro;
7. in strafzaken over een particuliere aanklacht
a) wegens overtredingen die onder de bevoegdheid van de kantongerechten
vallen met ……………………………………………. 6.000 euro
b) wegens andere overtredingen met 11.000 euro;
8. in strafrechtelijke procedures over verzoeken volgens de Mediawet (Tariefpost 4 Afdeling I Z 2) met 11.000 euro;
9. in strafzaken voor de vertegenwoordiging van private partijen:
a) wegens overtredingen die onder de bevoegdheid van de kantongerechten
vallen met ……………………………………………… 3.000 euro
b) wegens andere overtredingen en wegens misdrijven met 6.000 euro.
Let op
Is van toepassing op alle kostenbepalingsprocedures respectievelijk alle
kostenrekestprocedures waarin het verzoek tot
kostenbepaling respectievelijk het kostenrekest na
31 december 2007 bij de rechtbank is ingediend (vgl. Art. XVII
§ 16, BGBl. I Nr. 111/2007).

§ 11
(1) Voor zover de kosten niet tegen elkaar moeten worden opgeheven, dient bij procedures over verzoeken tot kostenbepaling het kostenbedrag als grondslag voor de berekening, waarvan de toekenning wordt verzocht. De grondslag voor de berekening in de procedure voor kostenberoep is het bedrag waarvan de toekenning of afwijzing in het kostenberoep wordt verzocht. (2) Indien in de gevallen van lid 1 het gevraagde bedrag niet hoger is dan 100 euro, bestaat er slechts een aanspraak op vergoeding van de contante uitgaven in verhouding tot het succes.
Let op
Is alleen van toepassing als de zaak na 31 december 2004
aanhangig is gemaakt. Op alle eerder aanhangig gemaakte procedures
blijven deze bepalingen in hun tot dan toe geldende
versie van toepassing (vgl. Art. 10 § 2, BGBl. I Nr. 113/2003).

§ 12
1) Bij het geldend maken van meerdere vorderingen in dezelfde vordering worden de waarden van de geschilpunten bij elkaar opgeteld. Hetzelfde geldt voor de duur van de samenvoeging van meerdere rechtszaken en voor de samenvoeging van vordering en tegenvordering voor een gezamenlijke behandeling. (2) Indien over meerdere in dezelfde vordering ingediende vorderingen afzonderlijk wordt onderhandeld, is gedurende de duur van de scheiding voor elk van de gescheiden onderhandelingen de overeenkomstige deelwaarde bepalend. (2a) Lid 1 en 2 zijn ook van overeenkomstige toepassing op het geldend maken van meerdere vorderingen in dezelfde buitengerechtelijke procedure en op de samenvoeging van meerdere buitengerechtelijke procedures. Lid 1 en 2 zijn ook van overeenkomstige toepassing op het geldend maken van meerdere vorderingen in dezelfde buitengerechtelijke procedure en op de samenvoeging van meerdere buitengerechtelijke procedures. (3) Een wijziging in de waarde van het geschilpunt als gevolg van een wijziging van een vordering, als gevolg van een beperking van de vordering of als gevolg van een gedeeltelijke afhandeling van het geschil moet in aanmerking worden genomen voor de diensten die volgen op de waardewijziging en, indien de wijziging wordt veroorzaakt door een verklaring van een partij, ook al voor het betreffende geschrift. Indien de waarde van het geschil tijdens een zitting wordt gewijzigd, moet de wijziging al in aanmerking worden genomen voor dat uur van de zitting waarin de wijziging plaatsvindt. Hetzelfde geldt mutatis mutandis ook voor wijzigingen van het onderwerp van de procedure in buitengerechtelijke procedures. (4) Indien de vordering wordt beperkt tot bijkomende kosten, worden de volgende geschilwaarden of procedurewaarden aangenomen, echter nooit meer dan de helft van de oorspronkelijke waarde: a) in rechtszaken voor het Gerechtshof die door de Senaat moeten worden beslist, 2.000 euro, b) in rechtszaken voor het Gerechtshof die door de alleensprekende rechter moeten worden beslist, 1.000 euro, c) in rechtszaken voor de districtsrechtbank, 200 euro. Hetzelfde geldt als de vordering a) in rechtszaken voor het Gerechtshof die door de Senaat moeten worden beslist, wordt beperkt tot minder dan 2.000 euro, b) in rechtszaken voor het Gerechtshof die door de alleensprekende rechter moeten worden beslist, wordt beperkt tot minder dan 1.000 euro, c) in rechtszaken voor de districtsrechtbank wordt beperkt tot minder dan 200 euro.

§ 13
(1) In de executie(zekerheids)procedure is de grondslag voor de berekening
a) voor de executerende schuldeiser of andere gerechtigde de waarde van de vordering aan kapitaal; proceskosten of bijkomende kosten worden alleen in aanmerking genomen als zij alleen het onderwerp vormen van de te handhaven of te verzekeren vordering; een wijziging van de berekeningsgrondslag treedt tijdens de procedure niet op; b) voor de verplichte de waarde van de door zijn verzoek getroffen vordering; c) voor de derde-schuldenaar de waarde van de in beslag genomen vordering, als deze lager is dan de vordering van de executerende schuldeiser, anders de onder a) aangegeven waarde; voor de derde-schuldenaar de waarde van de in beslag genomen vordering, als deze lager is dan de vordering van de executerende schuldeiser, anders de onder a) aangegeven waarde; d) voor de bieder en voor de koper de waarde van het behaalde hoogste bod. (Opmerking: Lid 2 opgeheven door BGBl. Nr. 519/1995 )

§ 14
Als de berekeningsgrondslag niet volgens de voorgaande bepalingen kan worden vastgesteld, worden de volgende waarden als basis genomen:
a) in rechtszaken voor het Gerechtshof die door de Senaat moeten worden beslist 24.000 euro,
b) in rechtszaken voor het Gerechtshof die door de alleensprekende rechter moeten worden beslist 10.000 euro,
c) in rechtszaken voor de districtsrechtbank 1.000 euro.

Verhoging van de vergoeding bij meerdere personen
§ 15
(1) De advocaat heeft recht op een verhoging van zijn vergoeding als hij in een rechtszaak (§ 1) meerdere personen vertegenwoordigt of tegenover meerdere personen staat. De verhoging bedraagt: De advocaat heeft recht op een verhoging van zijn vergoeding als hij in een rechtszaak (paragraaf één) meerdere personen vertegenwoordigt of tegenover meerdere personen staat. De verhoging bedraagt: a) als er slechts aan één kant twee door de advocaat vertegenwoordigde of tegenover hem staande personen zijn 10%, b) voor elke verdere door hem vertegenwoordigde en voor elke verdere tegenover hem staande persoon telkens 5%, echter nooit meer dan in totaal 50% van de verdiensomma inclusief het uniforme tarief; reiskosten, vergoeding voor tijdverlies en andere uitgaven tellen hierbij niet mee voor de verdiensomma. (2) Lid 1 geldt niet in collectieve procedures voor herstel volgens §§ 623 e.v. ZPO tot aan de beslissing over een tussentijds verzoek tot vaststelling van de Gekwalificeerde Instelling volgens § 624 lid 2 ZPO.

Uitgaven
§ 16
De uitgaven voor gerechtskosten, portokosten en andere uitgaven, inclusief de omzetbelasting, moeten, voor zover § 23 niet anders bepaalt, afzonderlijk worden vergoed. Evenzo moeten afzonderlijk worden vergoed extra uitgaven die voor een partij ontstaan door het inschakelen van een advocaat in onderlinge overeenstemming volgens § 5 lid 1 EIRAG, echter niet meer dan 25% van de verdiensomma inclusief het uniforme tarief; reiskosten, vergoeding voor tijdverlies en andere uitgaven tellen hierbij niet mee voor de verdiensomma.

Afhandeling van meerdere zaken tijdens een reis
§ 17

Bij de afhandeling van meerdere zaken tijdens een reis moeten de reiskosten over de afzonderlijke zaken worden verdeeld in verhouding tot de berekeningsgrondslagen.

Kostenoverzichten
§ 18

De advocaat heeft voor het opstellen van het kostenoverzicht of de honorarianota aan de door hem vertegenwoordigde partij geen recht op vergoeding.

Vergoeding bij gezamenlijke activiteit van meerdere advocaten § 19 Voor diensten die door een partij gezamenlijk aan meerdere advocaten worden opgedragen, heeft elke advocaat tegenover de door hem vertegenwoordigde partij voor zijn diensten de volledige aanspraak volgens het tarief.

Gevolmachtigde voor betekeningen
§ 20
De advocaat die tot gevolmachtigde voor betekeningen is benoemd, heeft slechts recht op vergoeding van de uitgaven voor het verzenden van documenten en op de vergoeding voor het opstellen en verzenden van brieven.

Toetsing door de rechtbank; vergoeding boven het tarief
§ 21

(1) De rechterlijke bevoegdheid om de noodzaak en doelmatigheid van de afzonderlijke diensten te toetsen, blijft onaangetast. Wanneer in het individuele geval de dienst van de advocaat qua omvang of aard het gemiddelde aanzienlijk overstijgt, moet de vergoeding daarvoor onafhankelijk van het tarief, in het bijzonder rekening houdend met de bestede tijd en moeite, passend worden vastgesteld. (2) Onder de tarieven mag, ook bij gerechtelijke vaststelling van de vergoeding voor diensten van gelijke of soortgelijke aard die niet onder het tarief vallen, alleen worden gegaan als de advocaat geen hogere vergoeding verlangt.
Let op
Is alleen van toepassing als de zaak na 31 december 2004
aanhangig is gemaakt. Op alle eerder aanhangig gemaakte procedures
blijven deze bepalingen in hun tot dan toe geldende
versie van toepassing (vgl. Art. 10 § 2, BGBl. I Nr. 113/2003).

Afzonderlijke geschriften
§ 22

In civielrechtelijke procedures en in executie(zekerheids)procedures worden geschriften alleen dan afzonderlijk vergoed wanneer ze niet met andere geschriften kunnen worden verbonden of de rechtbank hun afzonderlijke indiening als noodzakelijk of doelmatig erkent.

Uniform tarief voor nevendiensten
§ 23

1) Bij vergoeding van diensten die onder de tariefposten 1, 2, 3, 4 of 7 vallen, is in plaats van alle onder de tariefposten 5, 6 en 8 vallende nevendiensten en in plaats van de vergoeding voor de portokosten in het binnenland een uniform tarief verschuldigd.

(2) De advocaat kan echter tegenover de door hem vertegenwoordigde partij in plaats van het uniforme tarief de afzonderlijke in lid 1 genoemde nevendiensten in rekening brengen. De advocaat kan echter tegenover de door hem vertegenwoordigde partij in plaats van het uniforme tarief de afzonderlijke in lid één genoemde nevendiensten in rekening brengen.

(3) Het uniforme tarief bedraagt bij een geschilwaarde tot en met 10.170 euro 60%, bij een geschilwaarde boven 10.170 euro 50% van de verdiensomma exclusief de reiskosten, de vergoeding voor tijdverlies en de overige uitgaven.

(4) Het uniforme tarief omvat niet zulke nevendiensten in de loop van buitengerechtelijke mondelinge of schriftelijke onderhandelingen die vóór of tijdens een gerechtelijke procedure ter vermijding van een gerechtelijke procedure of ter bewerkstelliging van een schikking zijn verricht, indien zij een aanzienlijke besteding van tijd en moeite hebben veroorzaakt. Ze moeten worden vergoed volgens de voor elke afzonderlijke dienst geldende tariefpost. Hetzelfde geldt voor nevendiensten als de rechtszaak is beëindigd voordat de met de nevendiensten overeenkomende hoofddienst is verricht.

(5) Voor diensten die onder tariefpost 3 A afdeling II en III, tariefpost 3 B afdeling II, tariefpost 3 C afdeling II of tariefpost 4 afdeling I Z 5, 6, afdeling II vallen, moet het op deze dienst vallende deel van het uniforme tarief dubbel worden toegekend als de advocaat de dienst verricht op een plaats buiten de zetel van zijn kantoor of met de verrichting van deze dienst een andere advocaat belast en geen aanspraak maakt op vergoeding van de reiskosten en op vergoeding voor tijdverlies of de rechtbank hem een dergelijke aanspraak niet toekent omdat hij zich door een ter plaatse van de rechtbank gevestigde advocaat had kunnen laten vertegenwoordigen. Voor diensten die onder tariefpost 3 A afdeling Romeins II en Romeins III, tariefpost 3 B afdeling Romeins II, tariefpost 3 C afdeling Romeins II of tariefpost 4 afdeling Romeins één cijfer 5, 6, afdeling Romeins II vallen, moet het op deze dienst vallende deel van het uniforme tarief dubbel worden toegekend als de advocaat de dienst verricht op een plaats buiten de zetel van zijn kantoor of met de verrichting van deze dienst een andere advocaat belast en geen aanspraak maakt op vergoeding van de reiskosten en op vergoeding voor tijdverlies of de rechtbank hem een dergelijke aanspraak niet toekent omdat hij zich door een ter plaatse van de rechtbank gevestigde advocaat had kunnen laten vertegenwoordigen.

(6) In rechtszaken waarin een voorwaardelijk betalingsbevel moet worden uitgevaardigd of waarin het antwoord op de vordering volgens de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt opgedragen, moet – behoudens lid 7 – ook voor de vordering, het antwoord op de vordering en het bezwaar tegen het betalingsbevel het op deze prestatie betrekking hebbende deel van het uniforme tarief dubbel worden toegekend. (7) In rechtszaken waarin de betaling van een geldbedrag van niet meer dan 360 euro wordt gevorderd en een voorwaardelijk betalingsbevel moet worden uitgevaardigd, is voor de in tariefpost 2 genoemde vorderingen het uniforme tarief volgens lid 3 verschuldigd. Wordt tegen het betalingsbevel bezwaar gemaakt, dan moet in plaats daarvan voor de vordering het dubbele uniforme tarief worden toegekend. (8) Voor verzoeken tot tenuitvoerlegging en voor verzoeken van de executerende schuldeiser volgens tariefpost 3A afdeling I nr. 2, moet het op deze prestatie betrekking hebbende deel van het uniforme tarief dubbel worden toegekend. (9) In beroepsprocedures waarin geen bewijzen worden verzameld of geen andere aanvullingen op de procedure worden gedaan, moet voor het beroep en het antwoord op het beroep het op deze prestaties betrekking hebbende deel van het uniforme tarief drievoudig – in geval van het houden van een beroepszitting volgens lid 5 viervoudig – worden toegekend; daarmee zijn ook alle met het houden van de beroepszitting verbonden prestaties vergoed. (10) Lid 9 is niet van toepassing op beroepsprocedures waarin § 501 lid 1 ZPO moet worden toegepast.

Verhoging van de vergoeding in elektronisch rechtsverkeer
§ 23a
Indien het inleidende processtuk langs elektronische weg wordt ingediend, heeft de advocaat recht op een verhoging van de vergoeding met 5,00 euro. Voor verdere langs elektronische weg ingediende processtukken heeft de advocaat telkens recht op een verhoging van de vergoeding met 2,60 euro. Bij de berekening van het uniforme tarief (§ 23) en de toeslag voor meerdere partijen (§ 15) wordt met het respectieve verhogingsbedrag geen rekening gehouden. Indien in grondboek- en handelsregisterzaken alle documenten die op grond van de met de indiening verzochte inschrijving in de documentenverzameling van het grondboek of handelsregister moeten worden opgenomen, langs elektronische weg worden overgedragen, heeft de advocaat recht op een verdere verhoging van de vergoeding met 9,50 euro

Verkorte specificatie van de kosten (normaal kostentarief)
§ 24

(1) De Bondsminister van Justitie is gemachtigd om bij verordening een berekening op te stellen van de vergoeding die de advocaat toekomt voor regelmatig voorkomende diensten in eenvoudige en vaak terugkerende gevallen (normaal kostentarief). Dit tarief mag zich slechts uitstrekken tot
a) in het burgerlijk proces op verstekvonnissen,
b) lit. b opgeheven door Art. 13 Z 1, BGBl. I Nr. 86/2021
c) in het burgerlijk proces en in de executieprocedure op verzoeken waarover zonder mondelinge behandeling door de rechtbank wordt beslist, met uitzondering van rechtsmiddelen.
(2) In de in lid 1 genoemde gevallen kunnen de kosten op zodanige wijze worden gespecificeerd dat de vergoeding van de kosten en honoraria volgens het normaal kostentarief wordt gevorderd.

Vaststelling van toeslagen
§ 25
De Bondsminister van Justitie is gemachtigd om, in overeenstemming met de Hoofdcommissie van de Nationale Raad, bij verordening een toeslag vast te stellen op de in het tarief als vergoeding voor de advocaat vermelde vaste bedragen en op de in § 23a vermelde bedragen, indien en voor zover dit noodzakelijk is om de advocaten een aan de gewijzigde economische omstandigheden aangepaste passende vergoeding te verzekeren. De daaruit voortvloeiende vergoeding moet in de verordening worden vastgesteld; de bedragen moeten worden afgerond op volle 10 cent.

Slot- en overgangsbepalingen
§ 26

(1) Deze federale wet treedt in werking op 1 juli 1969.
(2) Ze is van toepassing op diensten van advocaten die na 30 juni 1969 worden verricht, tenzij de hoogte van de vergoeding met de partij is overeengekomen. (3) Met de inwerkingtreding van deze federale wet worden opgeheven: 1. de federale wet van 4 juni 1923, BGBl. Nr. 305, betreffende het advocatentarief, 2. de verordening van het Bondsministerie van Justitie van 14 januari 1954, BGBl. Nr. 33, betreffende het advocatentarief, in de versie van de verordening van 23 augustus 1961, BGBl. Nr. 218, de bekendmaking van 30 augustus 1963, BGBl. Nr. 232, en de verordening van 20 juli 1964, BGBl. Nr. 177. (4) De §§ 23a en 25 in de versie van de federale wet BGBl. I Nr. 90/2008 treden in werking op 1 oktober 2008. Ze zijn van toepassing op processtukken die na 30 september 2008 bij de rechtbank worden ingediend. De paragrafen 23 a en 25 in de versie van de federale wet Bundesgesetzblatt deel één, nr. 90 uit 2008, treden in werking op 1 oktober 2008. Ze zijn van toepassing op processtukken die na 30 september 2008 bij de rechtbank worden ingediend. (5) § 10 Z 5 in de versie van de Gesellschaftsrechts-Änderungsgesetz 2013, BGBl. I Nr. 109/2013 , treedt in werking op 1 juli 2013 en is van toepassing op aanvragen die na 30 juni 2013 bij de rechtbank worden ingediend. Paragraaf 10, punt 5, in de versie van de Gesellschaftsrechts-Änderungsgesetz 2013, Bundesgesetzblatt deel één, nr. 109 uit 2013, treedt in werking op 1 juli 2013 en is van toepassing op aanvragen die na 30 juni 2013 bij de rechtbank worden ingediend. (6) § 10 Z 5 in de versie van de federale wet BGBl. I Nr. 13/2014 treedt in werking op 1 maart 2014 en is van toepassing op aanvragen die na 28 februari 2014 bij de rechtbank worden ingediend.

Inwerkingtreding en overgangsbepalingen vanaf 1 januari 2017 §26a (1) §§ 10 en 23 lid 5, alsmede de tariefposten 1 en 3 C in de versie van de Berufsrechts-Änderungsgesetz 2016, BGBl. I Nr. 10/2017 , treden in werking op 1 januari 2017. De tariefposten 1 en 3 C in de versie van de Berufsrechts-Änderungsgesetz 2016 zijn van toepassing op diensten die na 31 december 2016 worden verricht. Paragrafen 10 en 23 lid 5, alsmede de tariefposten 1 en 3 C in de versie van de Berufsrechts-Änderungsgesetz 2016, Bundesgesetzblatt deel één, nr. 10 uit 2017, treden in werking op 1 januari 2017. De tariefposten 1 en 3 C in de versie van de Berufsrechts-Änderungsgesetz 2016 zijn van toepassing op diensten die na 31 december 2016 worden verricht. (2) § 10, § 12, § 14 en de tariefpost 3 B in de versie van de Berufsrechts-Änderungsgesetz 2020, BGBl. I Nr. 19/2020 , treden in werking op 1 april 2020. § 10, § 12 en § 14 in de versie van de Berufsrechts-Änderungsgesetz 2020 zijn van toepassing op diensten van de advocaten die na 31 maart 2020 worden verricht. Paragraaf 10, paragraaf 12, paragraaf 14 en de tariefpost 3 B in de versie van de Berufsrechts-Änderungsgesetz 2020, Bundesgesetzblatt deel één, nr. 19 uit 2020, treden in werking op 1 april 2020. Paragraaf 10, paragraaf 12 en paragraaf 14, in de versie van de Berufsrechts-Änderungsgesetz 2020 zijn van toepassing op diensten van de advocaten die na 31 maart 2020 worden verricht. (3) § 10, tariefpost 2 afdeling I Z 1 lit. b en c, tariefpost 3 A afdeling I Z 1 lit. b en tariefpost 4 afdeling I Z 2 in de versie van de federale wet BGBl. I. Nr. 148/2020 treden in werking op 1 januari 2021. Paragraaf 10, tariefpost 2 afdeling Romeins één cijfer één, lit. b en c, tariefpost 3 A afdeling Romeins één cijfer één, lit. b en tariefpost 4 afdeling Romeins één cijfer 2, in de versie van de federale wet Bundesgesetzblatt Romeins één. Nr. 148 uit 2020, treden in werking op 1 januari 2021. (4) § 24 lid 1 en tariefpost 1 afdeling III in de versie van de federale wet Gesamtreform des Exekutionsrechts – GREx, BGBl. I Nr. 86/2021 , treden in werking op 1 juli 2021. Paragraaf 24, lid één en tariefpost 1 afdeling Romeins III in de versie van de federale wet Gesamtreform des Exekutionsrechts – GREx, Bundesgesetzblatt deel één, nr. 86 uit 2021, treden in werking op 1 juli 2021. (5) § 3, tariefpost 1 afdeling IV, tariefpost 2 afdeling I Z 4 en afdeling II Z 4 alsmede tariefpost 3 A afdeling I Z 4 lit. a in de versie van de Restrukturierungs- und Insolvenz-Richtlinie-Umsetzungsgesetzes, BGBl. I Nr. 147/2021 , treden in werking op 17 juli 2021. Paragraaf 3, tariefpost 1 afdeling Romeins IV, tariefpost 2 afdeling Romeins één cijfer 4 en afdeling Romeins II cijfer 4, alsmede tariefpost 3 A afdeling Romeins één cijfer 4, letter a, in de versie van de Restrukturierungs- und Insolvenz-Richtlinie-Umsetzungsgesetzes, Bundesgesetzblatt deel één, nr. 147 uit 2021, treden in werking op 17 juli 2021. (6) § 10 Z 5 in de versie van de Gesellschaftsrechts-Änderungsgesetz 2023, BGBl. I Nr. 179/2023 , treedt in werking op 1 januari 2024 en is van toepassing op aanvragen die na 31 december 2023 bij de rechtbank worden ingediend. Paragraaf 10, punt 5, in de versie van de Gesellschaftsrechts-Änderungsgesetz 2023, Bundesgesetzblatt deel één, nr. 179 uit 2023, treedt in werking op 1 januari 2024 en is van toepassing op aanvragen die na 31 december 2023 bij de rechtbank worden ingediend. (7) § 7a en § 15 alsmede tariefpost 1, tariefpost 2 afdeling I Z 1 lit. a en afdeling III, tariefpost 3 A afdeling IV, tariefpost 3 B afdeling III en tariefpost 3 C afdeling IV in de versie van de Verbandsklagen-Richtlinie-Umsetzungs-Novelle, BGBl. I Nr. 85/2024 , treden in werking op de dag volgend op de bekendmaking.
§ 27 De federale minister van Justitie is belast met de uitvoering van deze federale wet.

Tarief
Tariefpost 1
I. In alle procedures voor de volgende processtukken:
a) loutere kennisgevingen, documentvoorleggingen en mededelingen aan de rechtbank; b) verzoeken bij de rechtbank en bij andere autoriteiten om verstrekking van inlichtingen, bevestigingen, getuigschriften, afschriften of uittreksels, om inzage in het dossier of om teruggave van bijlagen; c) verzoeken en verklaringen die betrekking hebben op termijnen, zittingen, betekeningen en soortgelijke proceshandelingen; d) verzoeken tot vaststelling van de kosten; e) herroeping of opzegging van volmachten; f) intrekking van verzoeken of rechtsmiddelen, verklaringen van afstand; g) bewijs van overeenstemming en mededeling van de herroeping daarvan overeenkomstig § 5 lid 2 EIRAG;

II. in het burgerlijk proces:
a) verzoeken tot benoeming van een curator voor de procespartij; b) toetredingsverklaringen van de interveniërende partij; c) verzoeken tot wijziging van de berekeningsgrondslag overeenkomstig de §§ 7 en 8 en opmerkingen hierover; verzoeken tot wijziging van de berekeningsgrondslag overeenkomstig de paragrafen 7 en 8 en opmerkingen hierover; d) intrekking van vorderingen; e) verzet tegen het betalingsbevel, dat zich uitsluitend beperkt tot het indienen van het verzet; f) verzoeken tot hervatting van een geschorste of onderbroken procedure, verzoeken tot vaststelling van een zitting voor de mondelinge behandeling van de zaak overeenkomstig § 398 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; verzoeken tot hervatting van een geschorste of onderbroken procedure, verzoeken tot vaststelling van een zitting voor de mondelinge behandeling van de zaak overeenkomstig paragraaf 398, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; g) verzoeken tot rectificatie van vonnissen of beschikkingen; h) schriftelijke beroepsaanmeldingen; i) memorie van antwoord in hoger beroep, die uitsluitend het verzoek tot vaststelling van een mondelinge behandeling in hoger beroep zonder verdere uiteenzettingen tot onderwerp heeft;

IIa. in de niet-contentieuze procedure:
a) verzoeken tot benoeming van een curator;
b) verzoeken tot wijziging van de berekeningsgrondslag overeenkomstig de §§ 7 en 8 en opmerkingen hierover;
c) verzoeken tot hervatting van een geschorste of onderbroken procedure, alsmede na afloop van de periode van opschorting;
d) verzoeken tot rectificatie van beschikkingen;

III. in de executieprocedure: a) verzoeken tot tenuitvoerlegging van de executie op roerende lichamelijke zaken overeenkomstig § 249a lid 1 Z 4 EO;
b) verzoeken tot hernieuwde executie of tot vaststelling van een hernieuwde veiling;
c) verklaringen betreffende de overname van de schuld overeenkomstig § 169 Z 2 EO en § 223 lid 1 EO;
d) opgave van het schadebedrag overeenkomstig § 211 EO;
e) verzet overeenkomstig § 54c EO en titelvoorleggingen overeenkomstig § 54d EO;
f) verzoeken tot opschorting en verzoeken tot beperking overeenkomstig § 39 lid 1 Z 6 of § 148 Z 2 EO;
g) verzoeken overeenkomstig §§ 47 of 48 EO met inbegrip van de verzoeken tot aanvulling of verduidelijking van de vermogensopgave alsmede de suggesties overeenkomstig § 47 lid 4 EO;
h) vorderingsaanmeldingen;

IV. in de insolventie- en herstructureringsprocedure: a) verzoeken tot opening van een insolventieprocedure, voor zover deze niet onder tariefpost 3 vallen; b) vorderingsaanmeldingen in de herstructureringsprocedure:
bij een berekeningsgrondslag
tot en met 40 euro 4,20 euro, meer dan 40 euro tot en met 70 euro 5,90 euro, meer dan 70 euro tot en met 110 euro 7,50 euro, meer dan 110 euro tot en met 180 euro 8,40 euro, meer dan 180 euro tot en met 360 euro 9,20 euro, meer dan 360 euro tot en met 730 euro 11,10 euro, meer dan 730 euro tot en met 1 090 euro 14,80 euro, meer dan 1 090 euro tot en met 1 820 euro 16,10 euro, meer dan 1 820 euro tot en met 3 630 euro 17,90 euro, meer dan 3 630 euro tot en met 5 450 euro 21,50 euro, meer dan 5 450 euro tot en met 7 270 euro 26,60 euro, meer dan 7 270 euro tot en met 10 170 euro 35,10 euro,

meer dan 10 170 euro tot en met 34 820 euro voor elke begonnen verdere 1 450 euro om 2,70 euro meer, voor elke begonnen verdere 1 450 euro om 4,20 euro meer, meer dan 34 820 euro tot en met 36 340 euro om 4,20 euro meer, meer dan 36 340 euro tot en met 363 360 euro bovendien van het meerbedrag over 36 340 euro 0,1 vT, meer dan 363 360 euro bovendien van het meerbedrag over 363 360 euro 0,05 vT,

echter nooit meer dan 312,20 euro resp. nooit meer dan 225,20 euro in een collectieve vorderingsprocedure tot herstel overeenkomstig §§ 623 e.v. ZPO. echter nooit meer dan 208,20 euro resp. nooit meer dan 225,20 euro in een collectieve vorderingsprocedure tot herstel overeenkomstig paragrafen 623, e.v. ZPO.

Opmerking bij tariefpost 1:
In executieprocedures op roerende lichamelijke zaken en op geldvorderingen worden met de vergoeding van het executieverzoek resp. het verzoek van de executerende schuldeiser overeenkomstig tariefpost 3A afdeling I Z 2 ook alle binnen tien maanden na goedkeuring van de executie ingediende, onder tariefpost 1 vallende processtukken van de executerende schuldeiser vergoed.

Tariefpost 2
I. Voor de volgende processtukken:
1. in het burgerlijk proces:
a) toetredingsverklaringen overeenkomstig § 628 ZPO alsmede de opmerkingen hierover;
b) saldovorderingen, leningvorderingen, vorderingen tot betaling van de koopprijs van roerende zaken of van de vergoeding voor werkzaamheden en diensten, vorderingen tot betaling van verzekeringspremies of bijdragen aan rechtspersonen, vorderingen tot betaling van de huur, vorderingen en verzoeken overeenkomstig § 549 ZPO, wisselmandaten en regresvorderingen op grond van het cheque recht, voor zover een korte weergave van de feiten mogelijk is;
c) antwoorden op vorderingen, verzet tegen verstekvonnissen, verzet tegen betalingsbevelen en bezwaren tegen betalingsopdrachten alsmede tegen bevelen tot staking overeenkomstig § 549 ZPO, voor zover deze processtukken niet onder tariefpost 1 vallen en zich beperken tot de loutere betwisting van de gegevens in de vordering en tot het verzoek tot afwijzing van de vordering of tot opheffing van het betalings- of stakingsbevel; verder antwoorden op vorderingen, verzet tegen verstekvonnissen, verzet tegen betalingsbevelen en bezwaren tegen betalingsopdrachten alsmede tegen bevelen tot staking overeenkomstig § 549 ZPO, voor zover deze betrekking hebben op vorderingen overeenkomstig lit. b, niet onder tariefpost 1 vallen en een korte weergave van de feiten en omstandigheden, waarop de bezwaren, verzoeken en verweermiddelen van de gedaagde partij zijn gebaseerd, mogelijk is.
d) opzeggingen en verzoeken overeenkomstig § 567 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering alsmede bezwaren daartegen, indien deze processtukken zich beperken tot de aanvoering of betwisting van de opzeggingsgronden en geen weergave van de feiten bevatten;
e) overige processtukken die niet in tariefpost 1 of 3 worden genoemd;
2. in de executieprocedure:
voor alle processtukken die niet in tariefpost 1 of 3 worden genoemd;
3. in de niet-contentieuze procedure:
a) korte verzoeken om inschrijvingen in het kadaster of in openbare registers;
b) verzoeken tot inleiding van de procedure tot krachteloosverklaring van documenten;
c) verzoeken tot deponering en verzoeken tot uitbetaling;
d) procedure inleidende verzoeken, voor zover een korte weergave van de feiten mogelijk is;
e) opmerkingen over procedure inleidende verzoeken, die zich beperken tot de loutere betwisting van de beweringen in het verzoek en het verzoek tot afwijzing;
f) overige processtukken die niet in tariefpost 1 of 3 worden genoemd;
4. in de insolventie- en herstructureringsprocedure:
voor alle processtukken van een schuldeiser, die niet in de tariefposten 1 of 3 worden genoemd:
bij een berekeningsgrondslag
tot en met 40 euro 17,90 euro,
meer dan 40 euro tot en met 70 euro 26,60 euro,
meer dan 70 euro tot en met 110 euro 35,10 euro,
meer dan 110 euro tot en met 180 euro 38,70 euro,
meer dan 180 euro tot en met 360 euro 43,70 euro,
meer dan 360 euro tot en met 730 euro 52,50 euro,
meer dan 730 euro tot en met 1 090 euro 69,80 euro,
meer dan 1 090 euro tot en met 1 820 euro 78,60 euro,
meer dan 1 820 euro tot en met 3 630 euro 87,00 euro,
meer dan 3 630 euro tot en met 5 450 euro 104,60 euro,
meer dan 5 450 euro tot en met 7 270 euro 130,20 euro,
meer dan 7 270 euro tot en met 10 170 euro 173,80 euro,
meer dan 10 170 euro tot en met 34 820 euro
voor elke begonnen verdere 1 450 euro
om 17,90 euro meer,
meer dan 34 820 euro tot en met 36 340 euro
om 17,90 euro meer,
meer dan 36 340 euro tot en met 363 360 euro
bovendien van het meerbedrag
over 36 340 euro 0,5 vT,
meer dan 363 360 euro
bovendien van het meerbedrag
over 363 360 euro 0,25 vT,
echter nooit meer dan 1 558,20 euro

II. voor de volgende zittingen:
1. in het burgerlijk proces:
a) (Aanm.: opgeheven door BGBl. I nr. 93/2003)
b) zittingen die worden uitgesteld voordat er een behandeling heeft plaatsgevonden;
c) zittingen die, voordat de feiten zijn besproken, leiden tot een verstekvonnis, een erkenningsoordeel of een verklaring van afstand, of tot het sluiten van een schikking;
d) zittingen die uitsluitend zijn bevolen met het oog op het sluiten van een schikking;
e) zittingen voor de verzochte of gemachtigde rechter, waarbij de uitvoering van het bewijsbesluit is uitgebleven wegens het niet verschijnen van de te horen personen;
2. in de executieprocedure:
a) zittingen waarbij de partijen buiten de behandeling slechts worden gehoord en die niet dienen voor het bewijsbesluit, voor zover deze niet onder tariefpost 3 vallen;
b) (Aanm.: opgeheven door BGBl. I nr. 68/2005)
3. in de niet-contentieuze procedure:
a) zittingen die worden uitgesteld voordat er een behandeling heeft plaatsgevonden;
b) zittingen die uitsluitend dienen voor het sluiten van een schikking;
c) zittingen voor de verzochte of gemachtigde rechter, waarbij de uitvoering van het bewijsbesluit is uitgebleven wegens het niet verschijnen van de te horen personen;
4. in de insolventie- en herstructureringsprocedure:
Zittingen waarbij de advocaat als vertegenwoordiger van de schuldeiser optreedt:
voor het eerste uur van elke zitting de in afdeling I vastgestelde vergoeding, echter nooit meer dan 1 039,70 euro, voor elk volgend, zelfs slechts begonnen uur van een zitting de helft van deze vergoeding, echter nooit meer dan 520 euro.

Opmerkingen bij tariefpost 2:
1. (Aanm.: opgeheven door BGBl. nr. 519/1995)
2. Voor de wachttijd tot een in tariefpost 2 genoemde zitting na een half uur wachttijd tot de verrichting van de ambtshandeling, is voor elk volgend, zelfs slechts begonnen half uur een kwart van de vergoeding overeenkomstig tariefpost 2 verschuldigd, echter nooit meer dan 6 euro (Aanm. 15) voor het halve uur. Voor de wachttijd bij een in tariefpost 2 genoemde zitting na een half uur wachttijd tot de uitvoering van de ambtelijke handeling is voor elk volgend, ook al slechts begonnen half uur een kwart van de beloning volgens tariefpost 2 verschuldigd, echter nooit meer dan 6 euro opmerking 15) voor het halve uur. 3. Is de advocaat verschenen bij een in tariefpost 2 genoemde zitting, waarvan de afzegging hem niet tijdig is meegedeeld of die wegens het ontbreken van een betekeningsmachtiging niet is gehouden, dan is de helft van de beloning volgens tariefpost 2 verschuldigd, echter nooit meer dan 11,90 euro III. In collectieve actieprocedures voor rechtsherstel conform §§ 623 e.v. ZPO is voor de in sectie I Z 1 genoemde processtukken en voor het eerste uur van de in sectie II Z 1 genoemde zittingen de in sectie I vastgestelde beloning verschuldigd, echter nooit meer dan 1.068,70 euro; voor elk volgend, ook al slechts begonnen uur van een zitting is de helft van deze beloning verschuldigd, echter nooit meer dan 534,40 euro. III. In collectieve actieprocedures voor rechtsherstel conform paragrafen 623, e.v. ZPO is voor de in sectie I cijfer een, genoemde processtukken en voor het eerste uur van de in sectie II cijfer een, genoemde zittingen de in sectie I vastgestelde beloning verschuldigd, echter nooit meer dan 1.068,70 euro; voor elk volgend, ook al slechts begonnen uur van een zitting is de helft van deze beloning verschuldigd, echter nooit meer dan 534,40 euro.

Tariefpost 3
A
I. Voor de volgende processtukken:
1. in het civiele proces:
a) Dagvaardingen, voor zover zij niet onder tariefpost 2 vallen;
b) Dupliekschriften op dagvaardingen, verzet tegen verstek vonnissen, verzet tegen betalingsbevelen en verweer tegen betalingsopdrachten alsmede tegen verbodsopdrachten volgens § 549 ZPO, voor zover deze processtukken noch onder tariefpost 1 noch onder tariefpost 2 vallen;
c) Opzeggingen en verzoeken volgens § 567 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering alsmede verweer daartegen, voor zover zij niet onder tariefpost 2 vallen;
d) voorbereidende processtukken, die volgens § 257 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn toegestaan of door de rechtbank worden opgedragen;
e) Verzoeken tot bewijsbeveiliging;
2. in de executieprocedure:
Verzoeken tot uitvoerbaarverklaring van akten en oorkonden, die in het buitenland zijn opgemaakt, wanneer zij met een executieverzoek zijn verbonden, en verzet tegen de uitvoerbaarverklaring.
3. in de procedure buiten geschil:
a) procesinleidende processtukken, voor zover zij niet onder tariefpost 2 vallen;
b) Stellingnames bij procesinleidende processtukken, voor zover zij niet onder tariefpost 2 vallen;
c) opgedragen processtukken en processtukken, die feitelijke stellingen bevatten, voor zover niet telkens een korte weergave van de feiten mogelijk is of de stellingname zich beperkt tot louter betwisting en het verzoek tot afwijzing;
4. in de insolventie- en herstructureringsprocedure:
a) Verzoeken tot opening van een saneringsprocedure met eigenbestuur en tot inleiding van een herstructureringsprocedure;
b) Processtukken, waarin een afzonderingsrecht of een uitwinningsrecht wordt geldend gemaakt;
5. in alle procedures:
a) Verzoeken tot uitvaardiging van voorlopige voorzieningen, stellingnames van de tegenpartij van de benadeelde partij bij dergelijke verzoeken en verzet tegen de toegestane voorlopige voorziening;
b) Kostenberoepen en kostenberoepantwoorden:
bij een berekeningsgrondslag
tot en met 40 euro 35,10 euro,
boven 40 euro tot en met 70 euro 52,50 euro,
boven 70 euro tot en met 110 euro 69,80 euro,
boven 110 euro tot en met 180 euro 76,80 euro,
boven 180 euro tot en met 360 euro 87,00 euro,
boven 360 euro tot en met 730 euro 104,60 euro,
boven 730 euro tot en met 1.090 euro 92,70 euro,
boven 1.090 euro tot en met 1.820 euro 139,10 euro,
boven 1.820 euro tot en met 3.630 euro 156,20 euro,
boven 3.630 euro tot en met 5.450 euro 173,80 euro,
boven 5.450 euro tot en met 7.270 euro 208,20 euro,
boven 7.270 euro tot en met 10.170 euro 260,20 euro,
boven 10.170 euro tot en met 34.820 euro
voor elke begonnen verdere 1.450 euro 35,10 euro meer,
boven 34.820 euro tot en met 36.340 euro
35,10 euro meer,
boven 36.340 euro tot en met 363.360 euro
bovendien van het meerdere bedrag
boven 36.340 euro 1 vT,
boven 363.360 euro
bovendien van het meerdere bedrag
boven 363.360 euro 0,5 vT,
echter nooit meer dan 20.770,60 euro;

II. voor de volgende zittingen:
1. in het civiele proces en in de procedure buiten geschil:
voor alle zittingen, voor zover zij niet onder tariefpost 2 vallen;
2. in de executieprocedure:
a) Zittingen met bewijsopname;
b) Zittingen, waaraan meerdere niet door dezelfde advocaat vertegenwoordigde partijen of betrokkenen deelnemen of waarbij over tegenstrijdige verzoeken wordt onderhandeld:
voor het eerste uur van elke zitting de in sectie I vastgestelde beloning, echter nooit meer dan 13.860,20 euro, voor elk volgend, ook al slechts begonnen uur van een zitting de helft van deze beloning, echter nooit meer dan 6.930,20 euro.

III. Voor de deelname aan de bevindingsopname door deskundigen is in alle procedures de in sectie II vastgestelde beloning verschuldigd, mits de bijvoeging van de partijvertegenwoordigers op uitdrukkelijke opdracht van de rechtbank geschiedt.

IV. In collectieve actieprocedures voor rechtsherstel conform §§ 623 e.v. ZPO is voor de in sectie I Z 1 en 5 genoemde processtukken en voor het eerste uur van de in sectie II Z 1 genoemde zittingen de in sectie I vastgestelde beloning verschuldigd, echter nooit meer dan 2.123,70 euro; voor elk volgend, ook al slechts begonnen uur van een zitting is de helft van deze beloning verschuldigd, echter nooit meer dan 1.061,90 euro.

B

I. Voor hoger beroepen, hoger beroepantwoorden, voor zover deze niet onder tariefpost 1 vallen, beroepen en beroepantwoorden, voor zover zij niet onder deel A of C vallen, alsmede klachten:

bij een berekeningsgrondslag
tot en met 40 euro 43,70 euro,
boven 40 euro tot en met 70 euro 65,40 euro,
boven 70 euro tot en met 110 euro 87,00 euro,
boven 110 euro tot en met 180 euro 96,00 euro,
boven 180 euro tot en met 360 euro 108,60 euro,
boven 360 euro tot en met 730 euro 130,20 euro,
boven 730 euro tot en met 1.090 euro 173,80 euro,
boven 1.090 euro tot en met 1.820 euro 195,20 euro,
boven 1.820 euro tot en met 3.630 euro 216,90 euro,
boven 3.630 euro tot en met 5.450 euro 260,20 euro,
boven 5.450 euro tot en met 7.270 euro 325,00 euro,
boven 7.270 euro tot en met 10.170 euro 433,20 euro,
boven 10.170 euro tot en met 34.820 euro
voor elke begonnen verdere 1.450 euro 43,70 euro meer,
boven 34.820 euro tot en met 36.340 euro
43,70 euro meer,
boven 36.340 euro tot en met 363.360 euro
bovendien van het meerdere bedrag
boven 36.340 euro 1,25 vT,
boven 363.360 euro
bovendien van het meerdere bedrag
boven 363.360 euro 0,625 vT,
echter nooit meer dan 25.963,20 euro;

Ia. voor processtukken volgens § 473a ZPO de helft van de in sectie I vastgestelde beloning;

II. voor mondelinge behandelingen over een hoger beroep of een beroep:
voor het eerste uur van elke behandeling de in sectie I vastgestelde beloning, echter nooit meer dan 25.963,20 euro,
voor elk volgend, ook al slechts begonnen uur van een behandeling de helft van deze beloning, echter nooit meer dan 12.981,80 euro.

C

I. Voor cassaties, cassatieantwoorden, cassatieberoepen, cassatieberoepantwoorden alsmede beroepen en beroepantwoorden aan de Hoge Raad:
bij een berekeningsgrondslag
tot en met 40 euro 52,50 euro,
boven 40 euro tot en met 70 euro 78,60 euro,
boven 70 euro tot en met 110 euro 104,60 euro,
boven 110 euro tot en met 180 euro 115,00 euro,
boven 180 euro tot en met 360 euro 130,20 euro,
boven 360 euro tot en met 730 euro 156,20 euro,
boven 730 euro tot en met 1.090 euro 208,20 euro,
boven 1.090 euro tot en met 1.820 euro 234,40 euro,
boven 1.820 euro tot en met 3.630 euro 260,20 euro,
boven 3.630 euro tot en met 5.450 euro 312,20 euro,
boven 5.450 euro tot en met 7.270 euro 390,00 euro,
boven 7.270 euro tot en met 10.170 euro 519,60 euro,
boven 10.170 euro tot en met 34.820 euro
voor elke begonnen verdere 1.450 euro 52,50 euro meer,
boven 34.820 euro tot en met 36.340 euro
52,50 euro meer,
boven 36.340 euro tot en met 363.360 euro
bovendien van het meerdere bedrag
boven 36.340 euro 1,5 vT,
boven 363.360 euro
bovendien van het meerdere bedrag
boven 363.360 euro 0,75 vT,
echter nooit meer dan 31.155,80 euro;

II. voor mondelinge behandelingen over cassaties of cassatieberoepen:
voor het eerste uur van elke behandeling de in sectie I vastgestelde beloning, echter nooit meer dan 31.155,80 euro,
voor elk volgend, ook al slechts begonnen uur van een behandeling de helft van deze beloning, echter nooit meer dan 15.578,00 euro;

III. voor mondelinge behandelingen in prejudiciële procedures voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen het dubbele bedrag van de zich volgens sectie II voortvloeiende beloning.
Opmerkingen bij tariefpost 3:
1. De in tariefpost 3 C genoemde bedragen omvatten ook de beloning voor aan het hof van beroep of beroepsgerecht gestelde verzoeken tot wijziging van de uitspraak over de toelaatbaarheid van het rechtsmiddel.
2. Voor de wachttijd bij een in tariefpost 3 genoemde zitting na een half uur wachttijd tot de uitvoering van de ambtelijke handeling is voor elk volgend, ook al slechts begonnen half uur een kwart van de beloning volgens tariefpost 2 verschuldigd, echter nooit meer dan 17,90 euro voor het halve uur; de tijd van de beraadslaging van het gerechtshof is in de wachttijd mee te rekenen.
3. Is de advocaat verschenen bij een in tariefpost 3 genoemde zitting, waarvan de afzegging hem niet tijdig is meegedeeld of die wegens het ontbreken van een betekeningsmachtiging niet is gehouden, dan is de helft van de beloning volgens tariefpost 2 verschuldigd, echter nooit meer dan 35,10 euro.
4. Bij verbinding van het verzoek tot uitvaardiging van voorlopige voorzieningen met de dagvaarding, met een procesinleidend verzoek of met een executieverzoek is bij verzoeken tot toekenning van de gescheiden woonplaats in huwelijkszaken een verhoging van 10 v.H. verschuldigd, bij andere verzoeken van 25 v.H. van de op het processtuk vallende beloning.
5. Bij verbinding van het voorstel tot inwinning van een prejudiciële beslissing door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met een rechtsmiddelschrift is, wanneer het voorstel uitvoerig juridisch wordt onderbouwd, een verhoging van 50 vH van de op het processtuk vallende beloning verschuldigd.

IV. In collectieve actieprocedures voor rechtsherstel conform §§ 623 e.v. ZPO is voor de in sectie I genoemde processtukken en voor het eerste uur van de in sectie II genoemde behandelingen de in sectie I vastgestelde beloning verschuldigd, echter nooit meer dan 3.182,60 euro; voor elk volgend, ook al slechts begonnen uur van een behandeling is de helft van deze beloning verschuldigd, echter nooit meer dan 1.591,30 euro.

Tariefpost 4
I.
In de strafrechtelijke procedure over een particuliere aanklacht alsmede over verzoeken volgens de Mediawet:
1. voor aanklachten
a) wegens overtredingen, die tot de bevoegdheid van de kantongerechten behoren 184,60 euro;
b) wegens overige overtredingen 307,60 euro;
2. voor zelfstandige verzoeken volgens de §§ 8, 33 lid 2 en 34 lid 3 Mediawet, verzoeken volgens de §§ 14, 16 en 39 Mediawet alsmede eerste verzoeken volgens § 20 Mediawet 307,60 euro;
3. voor bewijsverzoeken en voor alle andere indieningen, voor zover zij niet onder Z 4 van deze tariefpost of onder tariefpost 1 vallen:
de voor aanklachten (verzoeken volgens Z 2) vastgestelde beloning, voor zover het echter gaat om korte en eenvoudige of om vervolgverzoeken volgens § 20 Mediawet, de helft;
4. a) voor schriftelijke rechtsmiddelaanmeldingen:
een tiende van de voor aanklachten (verzoeken volgens Z 2) vastgestelde beloning;
b) voor klachten met uitzondering van kostenklachten, voor verzet, voor verzoeken tot herstel in de vorige toestand en voor verzoeken tot hervatting:
de voor aanklachten (verzoeken volgens Z 2) vastgestelde beloning;
c) voor hoger beroepuitvoeringen en voor nietigheidsklachten alsmede dupliekschriften daartoe:
anderhalf maal de voor aanklachten (verzoeken volgens Z 2) vastgestelde beloning;
d) voor kostenklachten en dupliekschriften daartoe:
de in tariefpost 2 vastgestelde beloning, echter nooit meer dan de voor aanklachten (verzoeken volgens Z 2) vastgestelde beloning; de waarde van het voorwerp is volgens § 11 te berekenen;
5. voor hoofdbehandelingen (behandelingen volgens de Mediawet) of voor de deelname aan een gerechtelijke schouwing of aan een overige bewijsopname buiten de hoofdbehandeling, voorts aan een gerechtelijke inbeslagname:
voor het eerste halve uur de voor aanklachten (verzoeken volgens Z 2) vastgestelde beloning, voor elk volgend, ook al slechts begonnen half uur de helft van deze beloning;
6. voor behandelingen in tweede instantie:
voor het eerste halve uur anderhalf maal de voor aanklachten (verzoeken volgens Z 2) vastgestelde beloning, voor elk volgend, ook al slechts begonnen half uur de helft van deze beloning;

II.) voor de vertegenwoordiging van particuliere betrokkenen:
a) bij overtredingen, die tot de bevoegdheid van de kantongerechten behoren:
de helft van de in sectie I Z 1 lit. a en Z 3 tot 6 vastgestelde beloning;
b) bij andere overtredingen en bij misdrijven:
de helft van de in sectie 1 Z 1 lit. b en Z 3 tot 6 vastgestelde beloning;
voor kostenklachten geldt sectie 1 Z 4 lit. d overeenkomstig.

Opmerkingen bij tariefpost 4:
1. Voor de wachttijd bij een behandeling of tot de uitvoering van een overige ambtelijke handeling na een half uur wachttijd tot het begin van de behandeling of de ambtelijke handeling is voor elk volgend, ook al slechts begonnen half uur in strafzaken volgens sectie I Z 1 lit. a en sectie II lit. a van deze tariefpost een bedrag van 9,20 euro en volgens sectie I Z 1 lit. b en Z 2 alsmede sectie II lit. b van deze tariefpost een bedrag van 17,90 euro verschuldigd; de tijd van de beraadslaging van het gerechtshof is in de wachttijd mee te rekenen.
2. Is de advocaat verschenen bij een behandeling of overige ambtelijke handeling, waarvan de afzegging hem niet tijdig is meegedeeld of die wegens het ontbreken van een betekeningsmachtiging niet is gehouden, dan is in strafzaken volgens sectie I Z 1 lit. a en sectie II lit. a van deze tariefpost een bedrag van 17,90 euro en volgens sectie I Z 1 lit. b en Z 2 alsmede sectie II lit. b van deze tariefpost een bedrag van 35,10 euro verschuldigd.
3. Wordt een wegens een misdrijf of een niet tot de bevoegdheid van de kantongerechten behorende overtreding aangeklaagde slechts van een overtreding, die tot de bevoegdheid van de kantongerechten behoort, schuldig bevonden, dan is in de kostenverhaalsprocedure slechts een beloning volgens sectie I Z 1 lit. a van deze tariefpost verschuldigd.

Tariefpost 5
Voor het opstellen en afhandelen van eenvoudige brieven (aanmaningsbrieven, korte rapporten en andere korte mededelingen, uitnodigingen, ontvangstbevestigingen e.d.):
bij een berekeningsgrondslag
tot en met 70 euro 4,20 euro,
boven 70 euro tot en met 180 euro 5,60 euro,
boven 180 euro tot en met 360 euro 6,30 euro,
boven 360 euro tot en met 730 euro 7,50 euro,
boven 730 euro tot en met 1.820 euro 9,20 euro,
boven 1.820 euro tot en met 2.910 euro 10,80 euro,
boven 2.910 euro
voor elke begonnen verdere 1.450 euro 3,30 euro meer, echter nooit meer dan 104,60 euro.

Tariefpost 6
Voor het opstellen en verzenden van andere soorten brieven, met uitzondering van die welke juridische adviezen of contractuele documenten vormen:
het dubbele van de vergoeding vastgesteld in tariefpost 5, maar nooit meer dan 208,20 euro.
Opmerking bij tariefposten 5 en 6:
Als vergoeding voor informatie uit de dossiers of met de partij is bovendien de helft van de vergoeding volgens deze tariefposten verschuldigd.

Tariefpost 7
(1) Voor het verrichten van werkzaamheden buiten het advocatenkantoor die – zoals bijvoorbeeld onderzoek bij de rechtbank of een andere autoriteit – gewoonlijk door een juridisch assistent worden uitgevoerd, is voor elk, zelfs slechts begonnen half uur dezelfde vergoeding verschuldigd als volgens tariefpost 6, maar nooit meer dan 208,20 euro voor het halve uur, evenals een vergoeding voor tijdverlies volgens TP 9 Z 4; bovendien kan de vergoeding voor het gebruik van een openbaar vervoermiddel in rekening worden gebracht. Indien een dergelijke handeling door een advocaat of advocaat-stagiair werd verricht, is het dubbele van de vergoeding volgens tariefpost 6 verschuldigd, echter maximaal een bedrag van 416,10 euro voor het halve uur, mits het verrichten van de handeling door de advocaat of advocaat-stagiair noodzakelijk was.
(2) Voor de deelname aan de uitvoering van executie- (zekerheids)handelingen, die gewoonlijk door een advocaat of advocaat-stagiair worden verricht, is een vergoeding verschuldigd volgens lid 1, laatste zin, tenzij de deelname door de advocaat of advocaat-stagiair om bijzondere redenen niet noodzakelijk was.
(3) Volgens lid 1, laatste zin, worden ook dergelijke buiten het kantoor verrichte werkzaamheden vergoed die niet onder een andere tariefpost vallen en regelmatig door een advocaat of advocaat-stagiair worden uitgevoerd, bijv. dossieronderzoek bij autoriteiten, commissies naar de referent, uitvoering van een buitengerechtelijke inspectie voor informatiedoeleinden en dergelijke.

Tariefpost 8
(1) Voor besprekingen van alle aard, ook telefonisch, is voor elk, zelfs slechts begonnen half uur verschuldigd:
bij een berekeningsgrondslag
tot en met 70 euro 14,80 euro,
boven 70 euro tot en met 180 euro 21,50 euro,
boven 180 euro tot en met 360 euro 28,50 euro,
boven 360 euro tot en met 730 euro 35,10 euro,
boven 730 euro tot en met 1.820 euro 39,00 euro,
boven 1.820 euro tot en met 20.670 euro 52,50 euro,
voor elke begonnen volgende 1.450 euro 11,10 euro meer,
boven 20.670 euro tot en met 21.800 euro
11,10 euro meer,
boven 21.800 euro
voor elke begonnen volgende 1.450 euro 5,90 euro meer,
echter nooit meer dan 692,90 euro voor het halve uur.

(2) Voor besprekingen die minder dan tien minuten duren, bedraagt de vergoeding vier tiende van de vergoeding volgens lid 1, maar nooit meer dan 277,40 euro.

Opmerking bij tariefpost 8:
Zeer korte telefonische mededelingen, met uitsluiting van juridisch advies, worden vergoed volgens tariefpost 5.

Tariefpost 9
Bij het verrichten van werkzaamheden in gerechtelijke procedures buiten de plaats waar het kantoor van de advocaat is gevestigd, zijn naast de vergoeding voor het verrichten van de werkzaamheden de volgende reiskosten en vergoeding voor tijdverlies verschuldigd, indien de plaats waar de werkzaamheden worden verricht meer dan twee kilometer verwijderd is van de plaats waar het kantoor van de advocaat is gevestigd:
1. als reiskosten
a) de kosten van vervoer met een openbaar vervoermiddel (trein, tram, bus, schip, vliegtuig e.d.); een advocaat of advocaat-stagiair heeft recht op vergoeding voor de hoogste klasse voor trajecten die hij per trein, schip of vliegtuig aflegt, een andere medewerker van de advocaat voor de eerstvolgende lagere daadwerkelijk gevoerde klasse;
b) indien een openbaar vervoermiddel in het geheel niet of niet zonder aanzienlijk tijdverlies kan worden gebruikt, de vergoeding voor een motorvoertuig (auto);
c) in alle andere gevallen een reisvergoeding voor elk, zelfs slechts begonnen uur van 17,90 euro;
2. als maaltijdkosten, indien de afwezigheid van de woonplaats van de advocaat ten minste drie uur duurt, voor elke dag waarop aan deze voorwaarde is voldaan, een bedrag dat overeenkomt met de gebruikelijke kosten van de hoofdmaaltijden die gewoonlijk tijdens de afwezigheid vallen;
3. als overnachtingskosten, indien een overnachting buiten de woonplaats van de advocaat noodzakelijk is, voor elke nacht een bedrag dat overeenkomt met de gebruikelijke kosten van een passende accommodatie;
4. als vergoeding voor tijdverlies voor elk, zelfs slechts begonnen uur, dat op weg naar of van de plaats waar de werkzaamheden worden verricht of op die plaats wordt doorgebracht, buiten de tijd die nodig is voor het verrichten van de werkzaamheden zelf, een bedrag van 33,90 euro.

Opmerkingen bij tariefpost 9:
1. In plaatsen waar een tram of bus de verschillende delen van de plaats verbindt, moet de ritprijs voor deze openbare vervoermiddelen ook worden vergoed bij het verrichten van werkzaamheden binnen de plaats waar het kantoor van de advocaat is gevestigd, ongeacht de afstand tot de plaats waar de werkzaamheden worden verricht.
2. Bij gebruik van een eigen motorvoertuig (auto) is dezelfde vergoeding verschuldigd als volgens punt 1 van deze tariefpost.

Artikel XVI
Implementatie van Gemeenschapsrecht
(Opmerking: Bij §§ 11, 23 en bijlage 1, BGBl. Nr. 189/1969)
Door deze federale wet worden
1. Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15) en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie van 1 augustus 2006 tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de definitie van politiek prominente personen en wat betreft de technische criteria voor vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedures en voor vrijstellingen op grond van occasionele of zeer beperkte financiële activiteiten (PB L 214 van 4.8.2006, blz. 29), in Art. I (§§ 8a tot 8f, 9, 9a en 12 RAO in samenhang met de geldende §§ 21b lid 2 en 23 RAO alsmede de federale wet van 28 juni 1990, BGBl. Nr. 474, betreffende het tuchtrecht voor advocaten en advocaat-stagiairs – Tuchtstatuut voor advocaten en advocaat-stagiairs) en Art. II (§§ 36a tot 36f, 37, 37a, 49 en 154 NO in samenhang met het geldende § 117 alsmede de bepalingen van hoofdstuk X van de NO) alsmede Art. XX (§ 20 RAPG en § 20 NPG) geïmplementeerd,
2. Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22) in Art. III (ABAG) en Art. V (§§ 24, 31, 32 en 37 EIRAG in samenhang met de geldende bepalingen van hoofdstuk 3 en 4 van de EIRAG) geïmplementeerd.

Artikel 12 Notificatie De inhoud van deze bepaling is volgens de bepalingen van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij genotificeerd onder de notificatienummers 2020/547/A en 2020/548/A.

Artikel IV
Inwerkingtreding, overgangsbepaling
(Opmerking: Bij §§ 1, 10, 11, 12, 14, 23, 23a en 25 en bij bijlage 1, BGBl. Nr. 189/1969)
1. Deze federale wet treedt in werking op 1 januari 2002.
2. Art. I Z 1 tot 14 en 16 tot 23 (§§ 1, 10, 11, 12, 14, 23, 23a en 25 alsmede TP 1, TP 2, TP 3 A, TP 3 B, TP 3 C, TP 3, TP 4, TP 5, TP 6, TP 7, TP 8 en TP 9 Advocatentariefwet) zijn van toepassing op diensten van advocaten die na 31 december 2001 worden verricht.
3. Art. I Z 15 (TP 3 D Advocatentariefwet) is van toepassing op procedures waarbij het verzoek tot echtscheiding na 31 december 2001 bij de rechtbank wordt ingediend.
4. (Opmerking: betreft andere wetgeving)
5. (Opmerking: betreft andere wetgeving)

Artikel V
Inwerkingtreding, overgangsbepalingen

(Opmerking: Bij §§ 9 lid 3, 10 en 16 alsmede TP 1, TP 2, TP 3B TP 3C, TP 3D en Opmerking 5 bij TP 3, BGBl. Nr. 189/1969)
1. (Opmerking: Inwerkingtredingsbepaling)
2. tot 7. (Opmerking: betreffen andere wetgeving)
8. Art. II Z 1 tot 7 en 9 (§§ 9 lid 3, 10 en 16 alsmede TP 1, TP 2, TP 3 B, TP 3 C en Opmerking 5 bij TP 3 Advocatentariefwet) zijn van toepassing op diensten van advocaten die na 31 mei 1999 worden verricht.
9. Art. II Z 8 (TP 3D Advocatentariefwet) is van toepassing op procedures waarbij het verzoek tot echtscheiding na 31 mei 1999 bij de rechtbank werd ingediend.
10. en 11. (Opmerking: betreffen andere wetgeving)
Overgangsbepalingen
(Opmerking: Bij §§ 3, 4, 5, 7, 8, 10, 11, 12, 16, 22, 23 en bijlage 1, BGBl. Nr. 189/1969)

§ 2
(1) Deze federale wet is – voor zover hierna niet anders is bepaald – ook van toepassing op procedures die vóór de inwerkingtreding ervan aanhangig zijn gemaakt.
(2) (Opmerking: betreft andere wetgeving)
(3) (Opmerking: betreft andere wetgeving)
(4) §§ 3, 4, 5 lid 1, 7, 8, 10 Z 2 en 3, 11, 12, 16, 22 en 23 alsmede Tariefpost 1, Tariefpost 2 en Tariefpost 3 inclusief de opmerkingen bij Tariefpost 3 van de Advocatentariefwet in de versie van deze federale wet zijn alleen van toepassing indien de zaak na 31 december 2004 aanhangig is gemaakt. Op alle procedures die eerder aanhangig zijn gemaakt, blijven deze bepalingen in hun tot dan toe geldende versie van toepassing.
(Opmerking: Bij § 23a, BGBl. Nr. 189/1969)

§ 2
De artikelen 4 en 5 zijn van toepassing op verzoekschriften die na 31 december 2006 bij de rechtbank worden ingediend.
(Opmerking: Bij bijlage 1, BGBl. Nr. 189/1969)

§ 13
Tariefpost 4 Afdeling I Z 4 lit. d RATG (Art. 9) is van toepassing op procedures betreffende kostenbezwaren, waarbij het kostenbezwaar na 31 december 2009 bij de rechtbank is ingediend.
(Opmerking: Bij § 16 en bijlage 1, BGBl. Nr. 189/1969)

§ 15
De in deze federale wet gebruikte persoonsaanduidingen hebben, voor zover dit inhoudelijk van toepassing is, betrekking op zowel vrouwen als mannen.

Artikel XVI
Inwerkingtreding en uitvoering
(Opmerking: Bij § 23, BGBl. Nr. 189/1969)
(1) Deze federale wet treedt, tenzij anders bepaald, in werking op 1 januari 2005.
(2) (Opmerking: betreft andere wetgeving)
(3) (Opmerking: betreft andere wetgeving)
(4) (Opmerking: betreft andere wetgeving)
(5) Art. XII Z 2 (§ 23 lid 6 RATG) en Art. XIV (§ 44 DSt) treden in werking op 1 december 2004. § 44 DSt in de versie van deze federale wet is van toepassing op alle betekeningen die na de inwerkingtreding worden verricht.
(6) Met de uitvoering van deze federale wet is de Bondsminister van Justitie belast.
(Opmerking: Bij § 11, BGBl. Nr. 189/1969)

§ 16. § 11 RATG (Art. XII) is van toepassing op alle kostenbepalingsprocedures respectievelijk alle kostenberoepensprocedures waarin het verzoek tot kostenbepaling respectievelijk het kostenberoep na 31 december 2007 bij de rechtbank is ingediend.
(Opmerking: Bij Bijlage 1, BGBl. Nr. 189/1969)

§ 17. §§ 3 lid 1, 4, 8 lid 1, 9, 12 tot 14 en 16 tot 22 GKTG (Art. VII) zijn van toepassing op vergoedingen voor werkzaamheden die na 31 december 2007 zijn verricht; Tariefpost 2 Afdeling I Z 1 lit. c en Tariefpost 3 A Afdeling III RATG (Art. XII) zijn van toepassing op advocatendiensten die na 31 december 2007 zijn verricht.

Artikel 96
Inwerkingtreding, overgangsbepalingen
(Opmerking: Bij § 11 en Bijlage 1, BGBl. Nr. 189/1969)
1. De bepalingen van deze afdeling treden – voor zover hierna niet anders is bepaald – in werking op 1 januari 2002.
2. – 25. (Opmerking: betreft andere wetgeving)
26. Art. 76 (RATG) en 94 Z 3, 6, 19 en 20 (§§ 69, 220 lid 3, 521 lid 1, 521a lid 1 ZPO) treden in werking na afloop van de dag van bekendmaking van deze federale wet. Art. 76 (RATG) en de §§ 521 en 521a ZPO in de versie van deze federale wet zijn van toepassing wanneer de bestreden beslissing na dit tijdstip is genomen.
27. – 30. (Opmerking: betreft andere wetgeving)