Oplichting

Er is sprake van oplichting overeenkomstig § 146 StGB indien iemand een ander door misleiding over feiten ertoe aanzet een vermogensbeschikking te treffen die leidt tot vermogensschade bij de misleide of bij een derde. De dader handelt daarbij opzettelijk en met het doel zichzelf of een derde onrechtmatig te verrijken. De misleiding kan plaatsvinden door valse verklaringen, door het voorwenden van niet-bestaande feiten of door het achterhouden van omstandigheden waarover een mededelingsplicht bestaat. Doorslaggevend is dat het slachtoffer op basis van de misleiding een beslissing neemt die het zonder deze misleiding niet zou hebben genomen. De vermogensschade ontstaat juist als gevolg van deze door misleiding veroorzaakte dispositie.

Er is sprake van oplichting als iemand door misleiding een vermogensschadend gedrag van een ander veroorzaakt om zichzelf of een derde onrechtmatig te verrijken. Kenmerkend is dat het slachtoffer op basis van de misleiding zelf handelt en daardoor de schade veroorzaakt.

Oplichting volgens § 146 StGB begrijpelijk uitgelegd: voorwaarden, strafmaat, afleiding, bewijzen, bevoegdheid van de rechtbank en praktijkvoorbeelden.
Rechtsanwalt Sebastian Riedlmair Sebastian Riedlmair
Harlander & Partner Rechtsanwälte
„Oplichting is geen contractuele teleurstelling. Het wordt pas strafbaar als een concrete feitelijke misleiding de vermogensbeslissing van het slachtoffer veroorzaakt. “

Objectieve delictsomschrijving

Het objectieve bestanddeel omvat uitsluitend de uiterlijk waarneembare gebeurtenis. Doorslaggevend zijn handelingen, gebruikte middelen en ingetreden gevolgen. Interne processen zoals motieven of opzet blijven buiten beschouwing.

Het objectieve bestanddeel van oplichting overeenkomstig § 146 StGB vereist dat de dader een persoon door misleiding over feiten aanzet tot een handelen, dulden of nalaten, die een vermogensschade bij de misleide of bij een derde veroorzaakt. Kenmerkend is dat de dader geen directe toegang tot het vermogen neemt, maar het slachtoffer op basis van de misleiding zelf een vermogensschadende beschikking treft.

De vermogensschade treedt in omdat het slachtoffer de misleiding gelooft en op basis daarvan handelt. Doorslaggevend is dat de vermogensvermindering indirect via het gedrag van de misleide wordt veroorzaakt. Zonder de misleiding zou het slachtoffer de concrete handeling, het dulden of nalaten niet hebben verricht.

Er is sprake van een misleiding over feiten als aan het slachtoffer onjuiste feiten worden voorgespiegeld, ware feiten worden verdraaid of omstandigheden waarover een mededelingsplicht bestaat, worden verzwegen. Feiten zijn concrete gebeurtenissen of toestanden uit het verleden of heden die vatbaar zijn voor bewijs. De misleiding moet causaal zijn voor de vermogensbeschikking.

Het objectieve bestanddeel is vervuld zodra door het door misleiding veroorzaakte gedrag een vermogensschade optreedt. Het is niet vereist dat de dader het vermogensvoordeel al heeft gerealiseerd.

Toetsingsstappen

Dader:

Dader kan iedere strafrechtelijk verantwoordelijke persoon zijn. Bijzondere persoonlijke eigenschappen zijn niet vereist.

Slachtoffer:

Het object van de daad is het vermogen van de misleide of van een derde, dat door het door misleiding veroorzaakte gedrag wordt geschaad.

Delictshandeling:

De daad bestaat uit de misleiding over feiten, waardoor het slachtoffer wordt aangezet tot een handelen, dulden of nalaten, die een vermogensschade veroorzaakt.

Delictsgevolg:

Het gevolg van de daad is het intreden van een vermogensschade, die direct teruggaat op het door misleiding veroorzaakte gedrag van het slachtoffer.

Causaliteit:

De vermogensschade moet het gevolg zijn van de misleiding. Zonder de misleiding zou het slachtoffer de vermogensschadende beschikking niet hebben getroffen.

Objectieve toerekening:

Het gevolg is objectief toerekenbaar als precies dat risico wordt verwezenlijkt dat de strafbepaling wil voorkomen, namelijk dat vermogen wordt aangetast door zelfbeschadiging van het slachtoffer als gevolg van misleiding.

Rechtsanwalt Peter Harlander Peter Harlander
Harlander & Partner Rechtsanwälte
„Doorslaggevend is de keten misleiding, dwaling, vermogensbeschikking, schade. Als een schakel ontbreekt, stort de beschuldiging van oplichting in elkaar. “
Kies nu uw gewenste afspraak:Gratis eerste gesprek

Afbakening van andere delicten

Het bestanddeel van oplichting overeenkomstig § 146 StGB omvat gevallen waarin iemand door misleiding over feiten wordt aangezet tot een handelen, dulden of nalaten, die een vermogensschade veroorzaakt. Het zwaartepunt van het onrecht ligt in de misleiding van het slachtoffer, dat op basis van een verkeerd beeld van de feiten vrijwillig, maar door dwaling veroorzaakt, handelt.

Kenmerkend is dat geen geweld en geen gevaarlijke bedreiging worden gebruikt. Het slachtoffer handelt niet vanwege dwang, maar vanwege een misleiding die het gelooft. De dader maakt doelbewust gebruik van de dwaling om een vermogensvoordeel te verkrijgen.

Samenloop:

Meerdaadse samenloop:

Er is sprake van echte samenloop als naast de oplichting andere zelfstandige delicten worden verwezenlijkt, bijvoorbeeld valsheid in geschrifte, gegevensvervalsing of verduistering. De delicten blijven naast elkaar bestaan, omdat verschillende rechtsgoederen worden geschonden.

Eendaadse samenloop:

Er is sprake van onechte samenloop als een ander bestanddeel de volledige onrechtmatigheid van de oplichting volledig omvat. In dit geval treedt de oplichting terug als subsidiair bestanddeel, bijvoorbeeld als de misleiding slechts een onzelfstandig middel is van een meer specifiek delict.

Meerdaadse samenloop:

Er is sprake van meervoudige daad als meerdere oplichtingshandelingen zelfstandig worden gepleegd, bijvoorbeeld bij in de tijd gescheiden misleidingen met elk een zelfstandige vermogensschade. Elke daad vormt een eigen strafrechtelijke eenheid.

Voortgezette handeling:

Een eenheid van daad kan worden aangenomen als meerdere misleidingshandelingen in nauwe tijdelijke en zakelijke samenhang staan en door een eensluidend plan worden gedragen. De daad eindigt zodra geen verdere door misleiding veroorzaakte vermogensbeschikkingen meer plaatsvinden.

Rechtsanwalt Sebastian Riedlmair Sebastian Riedlmair
Harlander & Partner Rechtsanwälte
„De afbakening is eenvoudig: diefstal met geweld werkt met dwang, oplichting met dwaling. Wie dat verwart, toetst voorbij aan het bestanddeel. “

Bewijslast & bewijswaardering

Openbaar Ministerie:

Het openbaar ministerie moet aantonen dat de verdachte een oplichting overeenkomstig § 146 StGB heeft gepleegd. Uitgangspunt is het bewijs van een misleiding over feiten, waardoor de verdachte een persoon heeft aangezet tot een handelen, dulden of nalaten, die een vermogensschade veroorzaakt. Daarnaast moet worden aangetoond dat de verdachte daarbij opzettelijk heeft gehandeld om zichzelf of een derde een onrechtmatig vermogensvoordeel te verschaffen.

In het bijzonder moet worden bewezen dat

Het openbaar ministerie moet bovendien aantonen of misleidingshandeling, dwaling, vermogensbeschikking, vermogensschade en opzet objectief vaststelbaar zijn, bijvoorbeeld door

Rechtbank:

De rechtbank toetst alle bewijzen in het totale verband. Zij beoordeelt of naar objectieve maatstaven een misleiding over feiten voorligt, die causaal heeft geleid tot een door dwaling veroorzaakte vermogensbeschikking en in verdere instantie tot een vermogensschade. Daarnaast moet worden getoetst of het verrijkingsopzet van de verdachte ondubbelzinnig kan worden vastgesteld.

Daarbij houdt de rechtbank met name rekening met

De rechtbank maakt een duidelijk onderscheid met louter contractuele risico’s, civielrechtelijke wanprestaties, meningsuitingen, toekomstbeloften zonder feitelijke kern evenals met gevallen waarin weliswaar een vermogensnadeel is ingetreden, maar een misleiding die aan de bestanddelen voldoet echter niet aantoonbaar is.

Beschuldigde persoon:

De beschuldigde persoon draagt geen bewijslast. Hij kan echter gegronde twijfels aantonen, met name met betrekking tot

Zij kan bovendien aantonen dat verklaringen misleidend, onvolledig, situatiegebonden of te goeder trouw zijn afgelegd of dat weliswaar een vermogensnadeel wordt beweerd, maar niet aan de voorwaarden van het bestanddeel oplichting is voldaan.

Typische beoordeling

In de praktijk zijn bij de oplichting overeenkomstig § 146 StGB met name de volgende bewijsmiddelen van belang:

Rechtsanwalt Peter Harlander Peter Harlander
Harlander & Partner Rechtsanwälte
„Zonder een zuivere documentatie van de communicatie en de betalingsstromen blijft de oplichting vaak bewering tegen bewering. Dat is niet voldoende voor een veroordeling. “
Kies nu uw gewenste afspraak:Gratis eerste gesprek

Praktijkvoorbeelden

Deze voorbeelden verduidelijken de typische verschijningsvormen van de oplichting. Kenmerkend is dat geen dwang en geen bedreiging worden gebruikt, maar het slachtoffer door misleiding over feiten tot een vrijwillige, maar door dwaling veroorzaakte vermogensbeschikking wordt aangezet. Het zwaartepunt van het onrecht ligt in de doelgerichte misleiding en niet in de intensiteit van de inwerking of de aard van de vermogensschade.

Subjectieve delictsomschrijving

Het subjectieve bestanddeel van de oplichting overeenkomstig § 146 StGB vereist opzet met betrekking tot alle objectieve bestanddelen. De dader moet weten dat hij door misleiding over feiten op een persoon inwerkt en deze daardoor aanzet tot een handelen, dulden of nalaten, die een vermogensschade bij de misleide of bij een derde veroorzaakt. Hij moet erkennen dat het gedrag van het slachtoffer niet op een vrije en geïnformeerde beslissing, maar op een door misleiding veroorzaakte dwaling berust.

Voor het opzet is voldoende dat de dader de misleiding, de daardoor veroorzaakte dwaling, de vermogensbeschikking en de vermogensschade serieus voor mogelijk houdt en zich daarmee verzoent. Voorwaardelijk opzet is voldoende. Een verdergaand oogmerk met betrekking tot de schade is niet vereist.

Dwingend vereist is echter een verrijkingsopzet. De dader moet met opzet handelen om zichzelf of een derde een onrechtmatig vermogensvoordeel te verschaffen, en wel door het gedrag van de misleide. Het nagestreefde voordeel moet stoffelijk identiek zijn aan de veroorzaakte vermogensschade, dus juist voortvloeien uit de vermogensbeschikking van het slachtoffer.

Er is geen sprake van een subjectief bestanddeel als de dader niet opzettelijk misleidt, niet met verrijkingsopzet handelt, serieus uitgaat van de juistheid van zijn verklaringen, of als hij ervan uitgaat dat het slachtoffer de ware stand van zaken kent en bewust beslist. In dergelijke gevallen ontbreekt het aan het voor § 146 StGB vereiste opzet.

Kies nu uw gewenste afspraak:Gratis eerste gesprek

Schuld & dwalingen

Dwaling omtrent het verbod:

Een dwaling omtrent het verbod verontschuldigt alleen als deze onvermijdbaar was. Wie gedrag vertoont dat herkenbaar inbreuk maakt op de rechten van anderen, kan zich niet beroepen op het feit dat hij de onrechtmatigheid niet heeft erkend. Iedereen is verplicht zich te informeren over de wettelijke grenzen van zijn handelen. Louter onwetendheid of een lichtzinnige dwaling ontslaat niet van verantwoordelijkheid.

Schuldbeginsel:

Strafbaar is alleen wie schuldig handelt. Opzettelijke delicten vereisen dat de dader de essentiële gebeurtenissen herkent en ten minste op de koop toe neemt. Ontbreekt dit opzet, bijvoorbeeld omdat de dader ten onrechte aanneemt dat zijn gedrag toegestaan is of vrijwillig wordt gedragen, is er hoogstens sprake van nalatigheid. Dit is bij opzettelijke delicten niet voldoende.

Ontoerekeningsvatbaarheid:

Geen schuld treft iemand die ten tijde van het delict vanwege een ernstige psychische stoornis, een ziekelijke geestelijke beperking of een aanzienlijk onvermogen tot zelfbeheersing niet in staat was het onrecht van zijn handelen in te zien of naar dit inzicht te handelen. Bij dienovereenkomstige twijfels wordt een psychiatrisch rapport ingewonnen.

Verontschuldigende noodtoestand:

Een verontschuldigende noodtoestand kan zich voordoen wanneer de dader handelt in een extreme dwangsituatie om een acuut gevaar voor het eigen leven of het leven van anderen af te wenden. Het gedrag blijft onrechtmatig, maar kan schuldverminderend of verontschuldigend werken als er geen andere uitweg was.

Putatieve noodweer:

Wie ten onrechte meent dat hij gerechtigd is tot een verdedigingshandeling, handelt zonder opzet als de dwaling serieus en begrijpelijk was. Een dergelijke dwaling kan de schuld verminderen of uitsluiten. Blijft er echter een schending van de zorgvuldigheidsplicht, dan komt een beoordeling als nalatig of strafverminderend in aanmerking, maar geen rechtvaardiging.

Strafopheffing & diversie

Diversie:

Een diversion is in principe mogelijk bij fraude volgens § 146 StGB. In vergelijking met gekwalificeerde gewelds- of dwangdelicten heeft het delict een geringer onrechtmatig gewicht, aangezien noch geweld, noch een gevaarlijke bedreiging vereist is. Of een diversionele afhandeling in aanmerking komt, hangt in belangrijke mate af van de omvang van de schuld, de hoogte van de schade, de intensiteit van het delict en het gedrag van de dader.

Vooral bij eenvoudig gelagerde frauduleuze handelingen met geringe vermogensschade, het ontbreken van een strafblad en volledige schadevergoeding kan een diversion terecht zijn. Met toenemende schade, planmatige aanpak of herhaaldelijk plegen van het feit neemt de waarschijnlijkheid van een diversionele afhandeling aanzienlijk af.

Een diversie kan worden overwogen wanneer

Als een diversion in aanmerking komt, kan de rechtbank geldelijke prestaties, prestaties van algemeen nut, begeleidingsinstructies of een dader-slachtofferbemiddeling opleggen. Een diversion leidt niet tot een veroordeling en niet tot een strafregistervermelding.

Uitsluiting van diversie:

Diversie is uitgesloten als

Alleen bij geringe schuld, overzichtelijke schade en vroegtijdige volledige schadeloosstelling komt een diversionele afhandeling realistisch in aanmerking. In de praktijk is de diversion bij eenvoudige fraude volgens § 146 StGB mogelijk, maar geen automatisme, maar steeds een beslissing per geval.

Rechtsanwalt Sebastian Riedlmair Sebastian Riedlmair
Harlander & Partner Rechtsanwälte
„Diversion is geen automatisme. Planmatige aanpak, herhaling of een merkbare vermogensschade sluiten een diversionele afhandeling in de praktijk vaak uit. “
Kies nu uw gewenste afspraak:Gratis eerste gesprek

Straftoemeting & gevolgen

De rechtbank beoordeelt de straf naar de omvang van de vermogensschade, naar aard, intensiteit en duur van de misleiding en naar hoe sterk de beslissingsvrijheid en economische positie van het slachtoffer zijn aangetast. Doorslaggevend is met name hoe planmatig, doelgericht of herhaaldelijk de dader te werk is gegaan en of het door de misleiding veroorzaakte gedrag tot een merkbare vermogensschade heeft geleid. Er moet ook rekening mee worden gehouden of de dader met bijzondere geraffineerdheid, onder benutting van bijzondere omstandigheden of onder misbruik van een vertrouwensrelatie heeft gehandeld.

Strafverzwarende omstandigheden zijn met name als

Strafverminderende omstandigheden zijn bijvoorbeeld

Een voorwaardelijke kwijtschelding van de vrijheidsstraf komt bij fraude volgens § 146 StGB regelmatig in aanmerking, aangezien het wettelijke strafmaximum tot zes maanden vrijheidsstraf of geldboete voorziet. Doorslaggevend is of er een positieve sociale prognose bestaat en het feit zich in het onderste bereik van de schuld- en onrechtmatigheidsgehalte bevindt.

Strafmaat

Voor de fraude volgens § 146 StGB is een vrijheidsstraf van maximaal zes maanden of alternatief een geldboete van maximaal 360 dagtarieven voorzien. Het strafmaximum omvat gevallen waarin door misleiding over feiten een vermogensschadend gedrag van de misleide wordt veroorzaakt, zonder dat er sprake is van kwalificerende omstandigheden van een zware of gewoontematige fraude.

Een uitdrukkelijk geregelde minder zware zaak is bij fraude niet voorzien. De concrete strafhoogte beweegt zich echter binnen het wettelijke kader en is met name gericht op schadehoogte, intensiteit en geraffineerdheid van de misleiding, duur van het feit en op de persoonlijke omstandigheden van de dader. Bij geringe schade, eenvoudige misleiding en eenmalige aanpak komt regelmatig een geldboete of een voorwaardelijke vrijheidsstraf in aanmerking.

Er moet ook rekening mee worden gehouden dat niet elke onjuiste opgave automatisch strafbaar is. Een strafbaarheid wegens fraude vereist dat er sprake is van een misleiding over feiten, die causaal leidt tot een vermogensbeschikking en tot een vermogensschade. Als er bijvoorbeeld sprake is van een door misleiding veroorzaakte verkeerde voorstelling van zaken, van de schadeveroorzaking of van het verrijkingsoogmerk, vervalt het delict. In dergelijke gevallen komt het niet tot een strafrechtelijke verantwoordelijkheid.

Geldboete – Dagboetesysteem

Het Oostenrijkse strafrecht berekent geldboetes volgens het dagboetesysteem. Het aantal dagboetes is gebaseerd op de schuld, het bedrag per dag op de financiële draagkracht. Zo wordt de straf aangepast aan de persoonlijke omstandigheden en blijft deze toch voelbaar.

Opmerking:

Bij de fraude volgens § 146 StGB komt de geldboete regelmatig een centrale betekenis toe. Vanwege het vergelijkbaar lage strafmaximum is een uitsluitende geldboete wettelijk uitdrukkelijk voorzien en in de praktijk gebruikelijk. Het dagtariefsysteem vormt daarom bij fraude een zelfstandige hoofdsanctie en niet slechts een neven- of vervangende oplossing. De concrete invulling is afhankelijk van de omvang van de schuld, de hoogte van de schade en de economische draagkracht van de dader.

Gevangenisstraf & (gedeeltelijk) voorwaardelijke opschorting

§ 37 StGB: Als de wettelijke strafdreiging maximaal vijf jaar bedraagt, kan de rechtbank onder de wettelijke voorwaarden in plaats van een korte vrijheidsstraf van maximaal een jaar een geldboete opleggen. Deze bepaling is bij de fraude volgens § 146 StGB in principe van toepassing, aangezien de strafdreiging aanzienlijk lager is dan vijf jaar. In de praktijk komt § 37 StGB vooral dan aan de orde, wanneer een korte vrijheidsstraf passend zou zijn, maar het delictsbeeld in zijn geheel als lichter moet worden ingeschat. Het gaat daarbij niet om een eigen geldboetestraf van het delict, maar om een vervangende vorm voor korte vrijheidsstraffen.

§ 43 StGB: Een voorwaardelijke kwijtschelding van de vrijheidsstraf is mogelijk, als de opgelegde straf niet meer dan twee jaar bedraagt en de dader een positieve sociale prognose heeft. Bij fraude is deze mogelijkheid regelmatig praktijkrelevant, met name bij first offenders, geringe of gecompenseerde schade en het ontbreken van een planmatige aanpak. De voorwaardelijke kwijtschelding is bij § 146 StGB aanzienlijk frequenter dan bij zware gewelds- of dwangdelicten.

§ 43a StGB: De gedeeltelijk voorwaardelijke kwijtschelding staat een combinatie van onvoorwaardelijk en voorwaardelijk kwijtgescholden strafdeel toe bij vrijheidsstraffen van meer dan zes maanden en tot twee jaar. Bij fraude kan deze vorm van betekenis zijn, als het delictsbeeld weliswaar niet meer als gering kan worden ingeschat, maar er geen uitgesproken verzwarende omstandigheden zijn. Ze komt bijvoorbeeld in aanmerking bij hogere schade of meerdere delictsacten, voor zover er toch een gunstige sociale prognose bestaat.

§§ 50 tot 52 StGB: De rechtbank kan aanwijzingen geven en reclassering bevelen. Deze betreffen bij fraude vaak gedragssturende maatregelen, met name voorwaarden voor schadevergoeding, voor de financiële orde of voor de stabilisering van de persoonlijke levensomstandigheden. Het doel is om verdere vermogensdelicten te voorkomen en een duurzame sociale re-integratie te bevorderen.

Bevoegdheid van de rechtbanken

Materiële bevoegdheid

De fraude volgens § 146 StGB wordt bedreigd met vrijheidsstraf tot zes maanden of met geldboete tot 360 dagtarieven. Daarmee valt het delict in principe onder de materiële bevoegdheid van de districtsrechtbank, aangezien deze bevoegd is voor strafbare feiten die alleen met geldboete of met vrijheidsstraf tot een jaar worden bedreigd en § 146 StGB niet tot de wettelijke uitzonderingen behoort.

De hoofdprocedure wordt daarom regelmatig voor de districtsrechtbank gevoerd, die door een alleensprekende rechter beslist.

Een bevoegdheid van de regionale rechtbank komt alleen dan in aanmerking, als wettelijke bijzondere bevoegdheden ingrijpen, bijvoorbeeld in samenhang met samenhangende procedures, medeverdachten of andere delicten met een hogere strafdreiging, die gezamenlijk moeten worden behandeld.

Een schepenrechtbank of juryrechtbank is bij § 146 StGB niet bevoegd, aangezien er noch een strafdreiging van meer dan vijf jaar, noch een wettelijke toewijzing aan deze rechtscolleges voorligt.

Territoriale bevoegdheid

Plaatselijk bevoegd is in principe de rechtbank, in wiens district de frauduleuze daad is uitgevoerd, dus daar waar

Als deze plaats niet eenduidig kan worden vastgesteld, richt de bevoegdheid zich naar de wettelijke opvangregels, met name naar

De procedure wordt gevoerd waar een doelmatige en ordelijke uitvoering het best gewaarborgd is.

Instanties

Als er een vonnis wordt gewezen door de districtsrechtbank, staat de partijen de gewone rechtsgang open.

Tegen het vonnis kan beroep worden ingesteld. De beslissing daarover wordt genomen door de regionale rechtbank als beroepsrechter.

In wettelijk voorziene gevallen kan bovendien een nietigheidsberoep of een ander rechtsmiddel in aanmerking komen. De verdere controle vindt afhankelijk van de aard van het rechtsmiddel plaats door de hogere regionale rechtbank of het hoogste gerechtshof.

Daarbij wordt gecontroleerd of de procedure correct is gevoerd en of de juridische beoordeling van de beschuldiging van fraude correct is.

Civiele vorderingen in strafzaken

Bij de fraude volgens § 146 StGB kan de benadeelde persoon als privépartij haar civielrechtelijke aanspraken direct in de strafprocedure geldend maken. Aangezien de fraude gericht is op een door misleiding over feiten veroorzaakt vermogensschadend gedrag, omvatten de aanspraken met name geldelijke prestaties, overgemaakte bedragen, uitgegeven vermogenswaarden, vorderingsafstand en andere vermogensnadelen, die als gevolg van de misleiding zijn ontstaan.

Afhankelijk van de feiten kunnen ook gevolgschade worden vergoed, bijvoorbeeld als de door de misleiding veroorzaakte handeling economische nadelen, liquiditeitsproblemen of bedrijfsschade met zich mee heeft gebracht.

De aansluiting van de privépartij stuit de verjaring van alle geldend gemaakte aanspraken, zolang de strafprocedure aanhangig is. Pas na de onherroepelijke afsluiting van de strafprocedure loopt de verjaringstermijn verder, voor zover de schade niet volledig is toegewezen.

Een vrijwillige schadeloosstelling, bijvoorbeeld de terugbetaling van verkregen bedragen, een compensatie van de veroorzaakte schade of een serieuze inspanning om schadevergoeding te betalen, kan strafverminderend werken, voor zover ze tijdig en volledig plaatsvindt.

Als de dader echter doelgericht, planmatig of herhaaldelijk heeft misleid, een aanzienlijke vermogensschade heeft veroorzaakt of de misleiding bijzonder geraffineerd of duurzaam heeft ingezet, verliest een latere schadeloosstelling regelmatig een deel van haar verzachtende werking. In dergelijke constellaties kan een latere compensatie het onrecht van de fraude slechts beperkt compenseren.

Rechtsanwalt Sebastian Riedlmair Sebastian Riedlmair
Harlander & Partner Rechtsanwälte
„Privatbeteiligtenansprüche moeten duidelijk worden gekwantificeerd en gedocumenteerd. Zonder een degelijke schadedocumentatie blijft de schadevergoeding in de strafprocedure vaak onvolledig en verschuift deze naar de civiele procedure. “
Kies nu uw gewenste afspraak:Gratis eerste gesprek

Overzicht van de strafprocedure

Begin van het onderzoek

Een strafprocedure vereist een concrete verdenking, vanaf wanneer een persoon als verdachte geldt en alle rechten van de verdachte kan uitoefenen. Aangezien het om een Offizialdelikt gaat, leiden politie en openbaar ministerie de procedure van ambtswege in, zodra er een overeenkomstige verdenking bestaat. Een bijzondere verklaring van de benadeelde is hiervoor niet vereist.

Politie en openbaar ministerie

Het openbaar ministerie leidt het opsporingsonderzoek en bepaalt het verdere verloop. De recherche verricht het nodige onderzoek, veiligt sporen, neemt getuigenverklaringen op en documenteert de schade. Uiteindelijk beslist het openbaar ministerie over seponering, diversie of vervolging, afhankelijk van schuldgraad, schadeomvang en bewijspositie.

Verhoor van de verdachte

Voor elk verhoor krijgt de verdachte persoon een volledige voorlichting over zijn rechten, in het bijzonder het zwijgrecht en het recht op bijstand van een advocaat. Verlangt de verdachte een advocaat, dan wordt het verhoor uitgesteld. Het formele verdachtenverhoor dient voor de confrontatie met de beschuldiging en het bieden van de mogelijkheid tot stellingname.

Inzage in het dossier

Inzage in de stukken kan bij politie, openbaar ministerie of rechtbank worden genomen. Dit omvat ook bewijsstukken, voor zover het onderzoeksdoel daardoor niet in gevaar komt. De voeging als benadeelde partij richt zich naar de algemene regels van het wetboek van strafvordering en maakt het de benadeelde mogelijk schadevergoedingsvorderingen direct in het strafproces geldend te maken.

Hoofdzitting

De terechtzitting dient voor de mondelinge bewijsvoering, de juridische beoordeling en de beslissing over eventuele civielrechtelijke vorderingen. De rechtbank onderzoekt in het bijzonder het verloop van de daad, opzet, schadeomvang en de geloofwaardigheid van de verklaringen. Het proces eindigt met veroordeling, vrijspraak of afdoening via diversie.

Rechten van de verdachte

Rechtsanwalt Sebastian Riedlmair Sebastian Riedlmair
Harlander & Partner Rechtsanwälte
„De juiste stappen in de eerste 48 uur bepalen vaak of een procedure escaleert of controleerbaar blijft.“
Kies nu uw gewenste afspraak:Gratis eerste gesprek

Praktijk & gedragstips

  1. Zwijgen bewaren.
    Een korte verklaring volstaat: “Ik maak gebruik van mijn zwijgrecht en spreek eerst met mijn verdediging.” Dit recht geldt reeds vanaf het eerste verhoor door politie of Openbaar Ministerie.
  2. Onmiddellijk verdediging contacteren.
    Zonder inzage in de onderzoeksdossiers moet geen verklaring worden afgelegd. Pas na dossierinzage kan de verdediging inschatten welke strategie en welke bewijsvergaring zinvol zijn.
  3. Bewijs onmiddellijk veiligstellen.
    U dient alle beschikbare documenten, berichten, foto’s, video’s en andere opnames zo vroeg mogelijk veilig te stellen en in kopie te bewaren. Digitale gegevens moeten regelmatig worden opgeslagen en beschermd tegen latere wijzigingen. Noteer belangrijke personen als mogelijke getuigen en leg het verloop van de gebeurtenissen tijdig vast in een geheugenprotocol.
  4. Geen contact met tegenpartij opnemen.
    Eigen berichten, telefoontjes of posts kunnen als bewijsmiddel tegen u worden gebruikt. Alle communicatie moet uitsluitend via de verdediging verlopen.
  5. Video- en dataopnamen tijdig veiligstellen.
    Bewakingsvideo’s in openbaar vervoer, horeca of van huisbeheer worden vaak na enkele dagen automatisch gewist. Verzoeken tot databeveiliging moeten daarom direct aan beheerders, politie of OM worden gericht.
  6. Huiszoekingen en inbeslagnames documenteren.
    Bij huiszoekingen of inbeslagnames moet u om een kopie van het bevel of proces-verbaal vragen. Noteer datum, tijd, betrokken personen en alle meegenomen voorwerpen.
  7. Bij arrestatie: geen verklaringen over de zaak afleggen.
    Sta erop dat uw advocaat onmiddellijk wordt ingelicht. Voorlopige hechtenis mag alleen worden opgelegd bij dringende verdenking en een aanvullende detentiegrond. Minder ingrijpende maatregelen (bijv. belofte, meldplicht, contactverbod) hebben voorrang.
  8. Herstel doelgericht voorbereiden.
    Betalingen, symbolische prestaties, verontschuldigingen of andere compensatie-aanbiedingen mogen uitsluitend via de verdediging worden afgehandeld en gedocumenteerd. Een gestructureerd herstel kan een positief effect hebben op diversie en strafbepaling.
Rechtsanwalt Peter Harlander Peter Harlander
Harlander & Partner Rechtsanwälte
„Wie overwogen handelt, bewijs veiligstelt en vroeg juridische ondersteuning zoekt, behoudt de controle over de procedure.“

Uw voordelen met juridische ondersteuning

De juridische beoordeling hangt in belangrijke mate af van de concrete inhoud van de misleiding, van de dwaling van het slachtoffer, van de vermogensbeschikking, van de opgetreden schade en van het verrijkingsoogmerk. Reeds geringe afwijkingen in de feiten kunnen bepalen of er daadwerkelijk sprake is van fraude, er slechts een civielrechtelijk geschil is of er bij gebrek aan misleiding, dwaling of opzet überhaupt geen sprake is van strafbaarheid.

Een vroegtijdige juridische begeleiding stelt zeker dat de feiten precies worden ingedeeld, bewijzen kritisch worden beoordeeld en ontlastende omstandigheden juridisch bruikbaar worden verwerkt.

Ons advocatenkantoor

Als strafrechtelijk gespecialiseerde vertegenwoordiging stellen wij zeker dat een beschuldiging van fraude zorgvuldig wordt onderzocht en de procedure op een duurzame feitelijke en juridische basis wordt gevoerd.

Rechtsanwalt Sebastian Riedlmair Sebastian Riedlmair
Harlander & Partner Rechtsanwälte
„Juridische ondersteuning betekent het werkelijke gebeuren duidelijk te scheiden van waarderingen en daaruit een houdbare verdedigingsstrategie te ontwikkelen.“
Kies nu uw gewenste afspraak:Gratis eerste gesprek

FAQ – Veelgestelde vragen

Kies nu uw gewenste afspraak:Gratis eerste gesprek