Verduistering
- Verduistering
- Objectieve delictsomschrijving
- Afbakening van andere delicten
- Bewijslast & bewijswaardering
- Praktijkvoorbeelden
- Subjectieve delictsomschrijving
- Schuld & dwalingen
- Strafopheffing & diversie
- Straftoemeting & gevolgen
- Strafmaat
- Geldboete – Dagboetesysteem
- Gevangenisstraf & (gedeeltelijk) voorwaardelijke opschorting
- Bevoegdheid van de rechtbanken
- Civiele vorderingen in strafzaken
- Overzicht van de strafprocedure
- Rechten van de verdachte
- Praktijk & gedragstips
- Uw voordelen met juridische ondersteuning
- FAQ – Veelgestelde vragen
Verduistering
Verduistering is volgens § 133 StGB aan de orde wanneer iemand een goed, dat hem bewust is toevertrouwd, voor zichzelf of voor een andere persoon gebruikt, hoewel hij het alleen mocht bewaren of in het belang van een ander gebruiken. Het goed bevindt zich daarbij reeds rechtmatig in zijn bezit, bijvoorbeeld omdat het is overgedragen of ter verzorging is toevertrouwd. Strafbaar is niet het wegnemen, maar de vertrouwensbreuk, omdat het goed in strijd met de overeengekomen bestemming aan het eigen vermogen of dat van een derde wordt toegevoegd. De wetgever beoordeelt dit gedrag als bijzonder ernstig, omdat gericht een bestaande vertrouwensrelatie wordt uitgebuit.
Een verduistering betekent dat een toevertrouwd goed opzettelijk voor zichzelf of voor een derde wordt gebruikt en daardoor het getoonde vertrouwen wordt misbruikt.
Sebastian RiedlmairHarlander & Partner Rechtsanwälte „Verduistering begint niet met de toegang tot vreemd vermogen, maar met het misbruik van een vertrouwen dat bewust is verleend.“
Objectieve delictsomschrijving
Het objectieve bestanddeel van § 133 StGB beschrijft de uiterlijke voorwaarden die aanwezig moeten zijn, zodat er sprake is van verduistering. Het gaat erom wat er daadwerkelijk met het goed is gebeurd, niet om wat de dader heeft gedacht of gewild. Doorslaggevend is dat een goed is toevertrouwd en dit goed plichtswidrig wordt gebruikt of behouden.
Centraal staat dat het goed zich reeds rechtmatig in de beschikkingsmacht van de dader bevindt. De rechthebbende heeft het goed bewust aan de dader overgelaten, bijvoorbeeld ter bewaring, beheer of voor gebruik voor een bepaald doel. Het objectieve bestanddeel is vervuld, wanneer de dader dit goed in strijd met de overeengekomen of verwachte bestemming voor zichzelf of voor een derde gebruikt en daardoor naar buiten toe herkenbaar aan het vreemde vermogen onttrekt.
§ 133 StGB beschermt daarmee vreemd vermogen tegen het misbruik van vertrouwen. Beslissend is de daadwerkelijke omgang met het toevertrouwde goed, die aantoont dat het vertrouwen van de rechthebbende is geschonden.
Kwalificerende omstandigheden
Er is sprake van gekwalificeerde verduistering, wanneer de waarde van het verduisterde goed bepaalde waardegrenzen overschrijdt. Indien de waarde van het goed 5.000 euro overschrijdt, wordt de strafmaat aanzienlijk verhoogd. Bij een waarde van meer dan 300.000 euro is er sprake van een bijzonder zware vorm van verduistering, die met een langdurige gevangenisstraf wordt bedreigd.
De waarde kwalificatie sluit uitsluitend aan op de objectieve vermogensschade. Beslissend is de objectieve waarde van het goed op het moment van de toe-eigening, niet een latere opbrengst of een individueel nut van de dader.
Toetsingsstappen
Dader:
Dader kan iedere strafrechtelijk verantwoordelijke persoon zijn, aan wie een goed is toevertrouwd en die dit goed plichtswidrig toe-eigent. Persoonlijke eigenschappen van de dader zijn voor het bestanddeel in principe irrelevant.
Slachtoffer:
Daderobject is ieder toevertrouwd goed met vermogenswaarde. Daaronder vallen lichamelijke zaken, geldbedragen evenals overige economisch waardeerbare goederen. Doorslaggevend is dat het goed de dader niet ter vrije beschikking, maar slechts voor een bepaald doel is overgelaten.
Daderhandeling:
De daderhandeling bestaat uit de toe-eigening van het toevertrouwde goed. Deze is aan de orde, wanneer de dader het goed als een eigen rechthebbende behandelt, bijvoorbeeld door verbruik, overdracht, verkoop of overige definitieve onttrekking aan het vermogen van de rechthebbende. Een formele eigendomsoverdracht is niet vereist.
Delictsgevolg:
Het dadersucces ligt daarin dat het goed aan het vermogen van de rechthebbende wordt onttrokken en economisch aan de dader of een derde wordt toegewezen. Reeds de definitieve oneigenlijk gebruik volstaat, ook wanneer het goed later niet verder wordt gebruikt.
Causaliteit:
Het vermogensnadeel moet terug te voeren zijn op de toe-eigeningshandeling van de dader. Zonder het plichtswidrige gedrag zou het niet tot het verlies van de economische beschikkingsmacht zijn gekomen.
Objectieve toerekening:
Het succes is objectief toerekenbaar, wanneer precies het risico zich verwezenlijkt, dat § 133 StGB moet voorkomen, namelijk dat een toevertrouwd goed onder schending van een bestaande vertrouwensrelatie aan het vermogen van de rechthebbende wordt onttrokken.
Peter HarlanderHarlander & Partner Rechtsanwälte „Beslissend is niet, hoe een toevertrouwd goed zou moeten worden gebruikt, maar hoe het daadwerkelijk werd gebruikt en of daardoor de vermogenstoewijzing naar buiten toe is veranderd.“
Afbakening van andere delicten
Het bestanddeel van verduistering volgens § 133 StGB omvat gevallen, waarin een goed reeds rechtmatig in de beschikkingsmacht van de dader staat en deze dit goed plichtswidrig voor zichzelf of een derde gebruikt. Beslissend is het misbruik van een bestaande vertrouwensrelatie, niet de manier waarop de dader in het bezit van het goed is gekomen. De nadruk ligt op het doelstrijdige gebruik van een toevertrouwd goed en de daardoor naar buiten toe herkenbare verandering van de vermogenstoewijzing.
- § 127 StGB – Diefstal: Bij diefstal staat de wegname van een vreemde roerende zaak op de voorgrond. De dader heeft in het begin geen rechtmatige beschikkingsmacht, maar onttrekt de rechthebbende de daadwerkelijke controle over de zaak. Bij de verduistering ontbreekt deze wegneming, omdat het goed de dader reeds vrijwillig is overgelaten. De afbakening richt zich daarom daarnaar, of de dader het goed eerst aan zich brengt of dat hij een reeds toevertrouwd goed misbruikt.
- § 146 StGB – Bedrog: Het bedrog vereist een misleiding, waardoor de misleide zelf een vermogensbeschikking verricht. Bij de verduistering daarentegen vindt de vermogensschade zonder misleiding plaats, alleen door het plichtswidrige gebruik van een toevertrouwd goed. Doorslaggevend is, dat het vertrouwen reeds bestaat en niet eerst door misleiding wordt opgewekt.
- § 153 StGB – Verduistering: De verduistering betreft gevallen, waarin iemand zijn rechtelijke bevoegdheid misbruikt, om over vreemd vermogen te beschikken of een ander te verplichten. Bij de verduistering gaat het daarentegen om concreet toevertrouwde goederen, niet om een omvattend vermogensbeheer. De afbakening vindt plaats daarnaar, of de dader een algemene vermogensverantwoordelijkheid schendt of een enkel toevertrouwd goed doelstrijdig gebruikt.
Samenloop:
Echte concurrentie:
Echte concurrentie is aan de orde, wanneer bij de verduistering verdere zelfstandige delicten komen, bijvoorbeeld bedrog, valsheid in geschrifte of verduisteringshandelingen tegenover verschillende vermogensrechthebbenden. De onrechtmatigheid van de verduistering blijft zelfstandig, omdat naast de vertrouwensbreuk verdere rechtsgoederen worden geschonden. De delicten staan dan naast elkaar.
Eendaadse samenloop:
Een onechte concurrentie komt in aanmerking, wanneer een ander bestanddeel de gehele onrechtmatigheid van de verduistering reeds volledig omvat. Dit is in het bijzonder dan relevant, wanneer een meer specifieke vermogensstraf het vertrouwensmisbruik volledig mede omvat. In deze gevallen treedt de verduistering terug, omdat er geen extra onrechtmatige kern overblijft.
Daderschap:
Daderschap is aan de orde, wanneer meerdere verduisteringshandelingen zelfstandig worden begaan, bijvoorbeeld bij tijdelijk gescheiden toe-eigeningen of bij verschillende toevertrouwde goederen. Iedere plichtswidrige toe-eigening vormt een eigen daad, voor zover er geen nauw verband bestaat.
Voortgezette handeling:
Een voortgezette handeling kan worden aangenomen, wanneer meerdere toe-eigeningen in nauw tijdelijk verband staan en door een eenheid van daderschap worden gedragen, bijvoorbeeld bij herhaalde toegang tot toevertrouwd vermogen in het kader van hetzelfde plan. De daad eindigt, zodra er geen verdere toe-eigeningen plaatsvinden of de dader zijn voornemen opgeeft.
Sebastian RiedlmairHarlander & Partner Rechtsanwälte „De strafrechtelijke indeling hangt niet af van het etiket van de rechtsverhouding, maar daarvan, of een concreet toevertrouwd goed doelstrijdig aan het vreemde vermogen werd onttrokken.“
Bewijslast & bewijswaardering
Openbaar Ministerie:
Het openbaar ministerie moet aantonen, dat er sprake is van verduistering, dus dat een goed was toevertrouwd en plichtswidrig werd toe-geeigend. Beslissend is niet een wegneming, maar dat het goed reeds rechtmatig bij de beschuldigde was en in strijd met het overeengekomen doel werd gebruikt. Aanvullend moet bij hogere bedragen de waarde van het goed worden vastgesteld, omdat daarvan de strafdreiging afhangt.
In het bijzonder moet worden bewezen dat
- een toevertrouwd goed voorlag, bijvoorbeeld door overdracht, bewaring of beheer
- de beschuldigde daadwerkelijke beschikkingsmacht over dit goed had
- het goed doelstrijdig voor zichzelf of een derde werd gebruikt
- daardoor een vermogensverschuiving naar buiten is ingetreden
- geen instemming of geen bevoegdheid voor dit gebruik bestond
- de waarde van het goed de maatgevende waardegrenzen overschrijdt, voor zover relevant
Ter bewijsvoering dienen bijvoorbeeld contracten, afrekeningen, boekhoudkundige documenten, bankafschriften, getuigenverklaringen, e-mails of overige documenten, waaruit toevertrouwen, doelbinding en gebruik blijken.
Rechtbank:
De rechtbank beoordeelt alle bewijzen in het totale verband en onderzoekt, of naar objectieve maatstaven blijkt, dat een toevertrouwd goed plichtswidrig werd toe-geeigend. In het middelpunt staat de vraag, of het gedrag van de beschuldigde naar buiten toe herkenbaar een vertrouwensbreuk vormt en tot een ontoelaatbare vermogensverschuiving heeft geleid.
Daarbij houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met:
- aard van het toevertrouwen en de overeengekomen doelbinding
- beschikkingsbevoegdheden van de beschuldigde
- concreet gebruik of overdracht van het goed
- tijdstip en verloop van de toe-eigening
- documenten of getuigenverklaringen, die doelstrijdigheid aantonen
- bewijzen voor de waarde van het goed, indien relevant
- of een verstandig gemiddeld mens van plichtswidrige omgang zou uitgaan
Af te grenzen zijn loutere administratieve fouten, misverstanden, te late teruggaven of civielrechtelijke geschillen, waarbij er geen sprake is van een strafrechtelijk relevante vertrouwensbreuk.
Verdachte:
De verdachte draagt geen bewijslast. Hij kan echter gegronde twijfels aantonen, in het bijzonder met betrekking tot
- of het goed daadwerkelijk was toevertrouwd
- of er sprake is van een doelstrijdigheid
- of er een bevoegdheid, instemming of aanwijzing bestond
- of het gebruik slechts tijdelijk of onbedoeld plaatsvond
- of er teruggave-intentie bestond
- of er onduidelijkheden of leemten in de bewijsvoering bestaan
- of de beweerde waarde correct is
Zij kan aantonen, dat het gedrag civielrechtelijk verklaarbaar, misverstandelijk of niet als toe-eigening is te waarderen.
Typische beoordeling
In de praktijk zijn bij verduistering vooral de volgende bewijzen van belang:
- Contracten, volmachten of overdrachtsovereenkomsten
- Boekhoudkundige documenten en bankafschriften
- Afrekeningen en betalingsstromen
- Interne communicatie of aanwijzingen
- Getuigenverklaringen over het doel van het toevertrouwen
- Waardebewijzen van het betrokken goed
- Tijdelijke verloop, waaruit doelstrijdigheid herkenbaar wordt
Peter HarlanderHarlander & Partner Rechtsanwälte „In verduisteringsprocedures beslist zelden een enkel document, maar het totaalbeeld van toevertrouwen, doelbinding en daadwerkelijk gebruik.“
Praktijkvoorbeelden
- Gebruik van toevertrouwd geld voor privédoeleinden:
Een persoon ontvangt van een bekende € 6.000 met de duidelijke opdracht, dit geld in vertrouwen te bewaren en later voor een gezamenlijke investering te gebruiken. In plaats daarvan maakt zij het bedrag over naar haar eigen rekening en voldoet daarmee privé-uitgaven. Het geld was haar toevertrouwd en bevond zich rechtmatig in haar beschikkingsmacht. Door het doelstrijdige gebruik eigent zij het zich naar buiten toe herkenbaar toe en verandert de vermogenstoewijzing. Vanwege de waarde is er sprake van een gekwalificeerde verduistering. Beslissend is niet, waarvoor het geld werd uitgegeven, maar dat het getoonde vertrouwen werd gebroken. - Doelstrijdige overdracht van een toevertrouwd voorwerp:
Een werknemer ontvangt van zijn werkgever een hoogwaardig arbeidsapparaat voor dienstgebruik. Zonder toestemming geeft hij het apparaat door aan een derde, die het duurzaam behoudt. Het voorwerp werd de werknemer bewust toevertrouwd en niet ter vrije beschikking overgelaten. Door de overdracht wordt het voorwerp aan de toegangsmogelijkheid van de rechthebbende onttrokken en een derde toe-geeigend. Het objectieve bestanddeel van de verduistering is vervuld, omdat het goed plichtswidrig wordt gebruikt en de vermogenstoewijzing werd veranderd. De waarde van het apparaat kan daarbij voor de strafhoogte maatgevend zijn.
Deze voorbeelden tonen aan, dat verduistering volgens § 133 StGB aan de orde is, wanneer toevertrouwde goederen in strijd met hun bestemming worden gebruikt of doorgegeven. Maatgevend is de uiterlijk herkenbare vertrouwensbreuk, niet de duur van het gebruik of een latere teruggave-intentie.
Subjectieve delictsomschrijving
Het subjectieve bestanddeel van de verduistering volgens § 133 StGB vereist opzet en verrijkingsopzet. De dader moet weten, dat hem een goed is toevertrouwd en dat dit goed niet van hem is, maar dat hij het slechts voor een bepaald doel of in het belang van een ander in bezit heeft. Hij moet erkennen, dat hij er niet vrij over mag beschikken.
De opzet moet betrekking hebben op het feit, dat de dader het toevertrouwde goed plichtswidrig voor zichzelf of voor een derde gebruikt en daarmee de vermogenstoewijzing bewust verandert. Het volstaat, wanneer de dader serieus voor mogelijk houdt en willens en wetens aanvaardt, dat hij door zijn gedrag het vreemde goed aan zijn eigen vermogen of dat van een derde toevoegt. Een bijzonder oogmerk is niet vereist, voorwaardelijk opzet volstaat.
Aanvullend vereist § 133 StGB een verrijkingsopzet. De dader moet minstens willens en wetens aanvaarden, zich of een derde een onrechtmatig vermogensvoordeel te verschaffen, bijvoorbeeld door het behouden, gebruiken, doorgeven of exploiteren van het toevertrouwde goed. Beslissend is, dat de dader weet of accepteert, dat hem dit voordeel rechtelijk niet toekomt.
Bij de waardegekwalificeerde vormen van de verduistering moet de opzet zich ook uitstrekken tot de waarde van het goed. De dader moet minstens daarmee rekenen en zich daarmee verzoenen, dat de waarde de maatgevende grens van 5.000 euro of eventueel 300.000 euro overschrijdt. Het volstaat, wanneer hij de hogere waarde serieus voor mogelijk houdt. Wie daarentegen serieus ervan uitgaat, dat het goed duidelijk onder de waardegrens ligt, verwezenlijkt de gekwalificeerde vorm subjectief niet.
Er is geen sprake van een subjectief bestanddeel, wanneer de dader in goed vertrouwen ervan uitgaat, bevoegd te zijn tot het gebruik van het goed, wanneer hij een geldige instemming van de rechthebbende aanneemt of wanneer hij serieus gelooft, het goed in het kader van de overeengekomen bestemming te gebruiken. Evenzo ontbreekt de opzet, wanneer de dader de verrijking of de maatgevende waarde niet eens willens en wetens aanvaardt.
Kies nu uw gewenste afspraak:Gratis eerste gesprekSchuld & dwalingen
Een dwaling omtrent het verbod verontschuldigt alleen als deze onvermijdbaar was. Wie gedrag vertoont dat herkenbaar inbreuk maakt op de rechten van anderen, kan zich niet beroepen op het feit dat hij de onrechtmatigheid niet heeft erkend. Iedereen is verplicht zich te informeren over de wettelijke grenzen van zijn handelen. Louter onwetendheid of een lichtzinnige dwaling ontslaat niet van verantwoordelijkheid.
Schuldbeginsel:
Strafbaar is alleen wie schuldig handelt. Opzettelijke delicten vereisen dat de dader de essentiële gebeurtenissen herkent en ten minste op de koop toe neemt. Ontbreekt dit opzet, bijvoorbeeld omdat de dader ten onrechte aanneemt dat zijn gedrag toegestaan is of vrijwillig wordt gedragen, is er hoogstens sprake van nalatigheid. Dit is bij opzettelijke delicten niet voldoende.
Ontoerekeningsvatbaarheid:
Geen schuld treft iemand die ten tijde van het delict vanwege een ernstige psychische stoornis, een ziekelijke geestelijke beperking of een aanzienlijk onvermogen tot zelfbeheersing niet in staat was het onrecht van zijn handelen in te zien of naar dit inzicht te handelen. Bij dienovereenkomstige twijfels wordt een psychiatrisch rapport ingewonnen.
Verontschuldigende noodtoestand:
Een verontschuldigende noodtoestand kan zich voordoen wanneer de dader handelt in een extreme dwangsituatie om een acuut gevaar voor het eigen leven of het leven van anderen af te wenden. Het gedrag blijft onrechtmatig, maar kan schuldverminderend of verontschuldigend werken als er geen andere uitweg was.
Wie ten onrechte meent dat hij gerechtigd is tot een verdedigingshandeling, handelt zonder opzet als de dwaling serieus en begrijpelijk was. Een dergelijke dwaling kan de schuld verminderen of uitsluiten. Blijft er echter een schending van de zorgvuldigheidsplicht, dan komt een beoordeling als nalatig of strafverminderend in aanmerking, maar geen rechtvaardiging.
Strafopheffing & diversie
Diversie:
Een afleiding is bij verduistering volgens § 133 StGB in principe niet uitgesloten, maar komt terughoudend in aanmerking. Het bestanddeel vereist een bewuste vertrouwensbreuk, aangezien een toevertrouwd goed plichtmatig wordt toegeëigend. Daarmee is regelmatig een verhoogd onrecht verbonden, dat een diversionele afhandeling slechts beperkt toelaat.
In gevallen waarin de waarde van het verduisterde goed gering is, de dader voor het eerst opvalt, inzichtelijk handelt en de veroorzaakte schade snel en volledig wordt gecompenseerd, kan een afleiding toch worden onderzocht. Met een stijgende schadehoogte, met name bij het overschrijden van de wettelijke waardegrenzen, evenals bij doelgericht of langer durend optreden, daalt de waarschijnlijkheid van een diversionele afhandeling aanzienlijk.
Een diversie kan worden overwogen wanneer
- de schuld in totaal gering is,
- de vermogensschade overzichtelijk is,
- geen bijzondere vertrouwenspositie op ernstige wijze is misbruikt,
- geen ernstige gevolgen zijn ingetreden,
- geen planmatig of herhaaldelijk gedrag voorligt,
- de feiten helder en eenvoudig zijn,
- de dader inzichtelijk, coöperatief en bereid tot compensatie is.
Indien een afleiding in aanmerking komt, kan de rechtbank geldelijke prestaties, prestaties van algemeen nut, begeleidingsinstructies of een daadcompensatie opleggen. Een afleiding leidt niet tot een veroordeling en niet tot een strafregisterinschrijving.
Uitsluiting van diversie:
Diversie is uitgesloten als
- een aanzienlijke vermogensschade is ingetreden,
- de wettelijke waardegrenzen duidelijk zijn overschreden,
- een bijzonder uitgesproken vertrouwenspositie is misbruikt,
- de daad bewust doelgericht of over langere tijd is begaan,
- meerdere zelfstandige verduisteringshandelingen voorliggen,
- een herhaaldelijk of systematisch gedrag gegeven is,
- bijzondere verzwarende omstandigheden zich voordoen,
- het totale gedrag een ernstige schending van vreemde vermogensbelangen vormt.
Alleen bij duidelijk geringste schuld, snelle schadeloosstelling en duidelijk inzicht kan in individuele gevallen worden onderzocht of een uitzonderlijke diversionele procedure is toegestaan. In de praktijk is de afleiding bij § 133 StGB mogelijk, maar sterk beperkt en sterk afhankelijk van de concrete omstandigheden van het individuele geval.
Straftoemeting & gevolgen
De rechtbank meet de straf naar de omvang van de vermogensinbreuk, naar aard, duur en intensiteit van de plichtmatige toe-eigening evenals daarnaar, hoe sterk het misbruik van het toevertrouwde goed de economische positie van de rechthebbende heeft beïnvloed. Doorslaggevend is, of de dader doelgericht, planmatig of herhaaldelijk heeft gehandeld en of het gedrag een merkbaar vermogensnadeel heeft veroorzaakt.
Strafverzwarende omstandigheden zijn met name als
- de toe-eigening over een langere periode is voortgezet,
- een systematische of bijzonder hardnekkige aanpak aanwezig was,
- een aanzienlijke vermogensschade is ontstaan,
- meerdere toevertrouwde goederen of economisch belangrijke waarden betroffen waren,
- ondanks duidelijke aanwijzingen of verzoeken geen teruggave heeft plaatsgevonden,
- een bijzondere vertrouwenspositie is misbruikt, bijvoorbeeld in het kader van een arbeids-, zakelijke of afhankelijkheidsrelatie,
- of er relevante voorstraffen bestaan.
Strafverminderende omstandigheden zijn bijvoorbeeld
- Onbesproken gedrag,
- een volledige bekentenis en aantoonbaar berouw,
- een vroegtijdige teruggave of beëindiging van het plichtmatige gedrag,
- actieve inspanningen tot schadeherstel of schadevergoeding,
- bijzondere belastings- of overbelastingssituaties bij de dader,
- of een buitensporig lange proceduurduur.
Een vrijheidsstraf kan de rechtbank voorwaardelijk kwijtschelden, wanneer deze niet langer is dan twee jaar en de dader een positieve sociale prognose heeft.
Sebastian RiedlmairHarlander & Partner Rechtsanwälte „Diversion is geen automatisme. Planmatige aanpak, herhaling of een merkbare vermogensschade sluiten een diversionele afhandeling in de praktijk vaak uit. “
Strafmaat
De verduistering volgens § 133 lid 1 StGB vormt het basisbestanddeel. Deze is aanwezig, indien een toevertrouwd goed opzettelijk wordt toegeëigend, om zichzelf of een derde onrechtmatig te verrijken. Het wettelijke strafbereik bedraagt vrijheidsstraf tot zes maanden of geldboete tot 360 dagtarieven.
Indien de waarde van het verduisterde goed € 5.000 overschrijdt, grijpt de waarde kwalificatie van § 133 lid 2 eerste geval StGB in. In deze gevallen verhoogt het strafbereik zich tot vrijheidsstraf tot drie jaar. Doorslaggevend is alleen de objectieve waarde van het toevertrouwde goed op het tijdstip van de daad.
Indien de waarde van het verduisterde goed € 300.000 overschrijdt, ligt een bijzonder zware vorm van verduistering volgens § 133 lid 2 tweede geval StGB voor. De wet voorziet hiervoor een duidelijk verscherpt strafbereik van één tot tien jaar vrijheidsstraf. Een geldboete is in deze constellatie niet meer voorzien.
De strafdreiging richt zich uitsluitend naar de waarde van het toevertrouwde en toegeëigende goed. Verdere modaliteiten van de daaduitvoering vormen geen zelfstandige kwalificaties, kunnen echter in het kader van de strafmeting in aanmerking worden genomen.
Geldboete – Dagboetesysteem
Het Oostenrijkse strafrecht berekent geldboetes volgens het dagboetesysteem. Het aantal dagboetes is gebaseerd op de schuld, het bedrag per dag op de financiële draagkracht. Zo wordt de straf aangepast aan de persoonlijke omstandigheden en blijft deze toch voelbaar.
- Spanne: tot 720 dagtarieven – minstens € 4, hoogstens € 5.000 per dag.
- Praktijkformule: Ongeveer 6 maanden gevangenisstraf komt overeen met ongeveer 360 dagboetes. Deze omrekening dient slechts als oriëntatie en is geen star schema.
- Bij niet-betaling: De rechtbank kan een vervangende vrijheidsstraf opleggen. In de regel geldt: 1 dag vervangende vrijheidsstraf komt overeen met 2 dagboetes.
Opmerking:
Bij de Verduistering volgens § 133 lid 1 StGB is een geldboete uitdrukkelijk voorzien en in de praktijk gebruikelijk, met name bij geringere schuld, eerste daderschap of volledige schadeloosstelling.
Bij de waardegekwalificeerde verduistering volgens § 133 lid 2 StGB treedt de geldboete daarentegen duidelijk op de achtergrond. Met een stijgende schadehoogte en met name bij het overschrijden van de waardegrens van € 300.000 komt regelmatig alleen nog een vrijheidsstraf in aanmerking. Een geldboete is in deze gevallen wettelijk niet meer voorzien of feitelijk uitgesloten.
Gevangenisstraf & (gedeeltelijk) voorwaardelijke opschorting
§ 37 StGB: Indien de wettelijke strafdreiging tot vijf jaar vrijheidsstraf reikt, kan de rechtbank in plaats van een korte vrijheidsstraf van maximaal één jaar een geldboete opleggen. Deze mogelijkheid bestaat daarom ook bij de verduistering volgens § 133 StGB, met name bij de basisvorm met lage schuld en beperkte vermogensschade.
Bij hoge waarde kwalificaties met wettelijke minimumvrijheidsstraf is een toepassing uitgesloten.
§ 43 StGB: Een vrijheidsstraf kan voorwaardelijk worden kwijtgescholden, indien deze twee jaar niet overschrijdt en de dader een positieve sociale prognose toekomt. Deze mogelijkheid bestaat ook bij de verduistering. Terughoudender wordt een voorwaardelijke kwijtschelding verleend, indien de daad planmatig, herhaaldelijk of onder duidelijk verzwarende omstandigheden is begaan. Realistisch is een voorwaardelijke kwijtschelding vooral dan, indien de schade volledig is goedgemaakt, de dader inzichtelijk is en de daad zich in het onderste bereik van de strafdreiging beweegt.
§ 43a StGB: De gedeeltelijk voorwaardelijke kwijtschelding staat een combinatie van onvoorwaardelijk en voorwaardelijk kwijtgescholden strafdeel toe. Deze is bij straffen boven zes maanden en tot twee jaar mogelijk.
Bij de verduistering kan deze vorm met name dan van betekenis zijn, indien de schuldaangemeten straf tussen zes maanden en twee jaar ligt. Bij gevallen met minimumvrijheidsstraf is deze regelmatig uitgesloten.
§§ 50 tot 52 StGB: De rechtbank kan aanwijzingen geven en reclassering gelasten. Vaak betreffen deze de schadeloosstelling, de teruggave of afgifte van het verduisterde goed, het vermijden van verdere vermogensdelicten of structurerende maatregelen. Het doel is, de ontstane schade te compenseren en toekomstige strafbare feiten te voorkomen.
Bevoegdheid van de rechtbanken
Materiële bevoegdheid
Voor de verduistering volgens § 133 StGB richt zich de zakelijke bevoegdheid naar de voorziene strafdreiging. Bij het basisbestanddeel van § 133 lid 1 StGB met een strafdreiging van vrijheidsstraf tot zes maanden of geldboete tot 360 dagtarieven is in principe de districtsrechtbank bevoegd. De strafdreiging overschrijdt het eenvoudige bevoegdheidsgebied niet.
Indien een waarde kwalificatie volgens § 133 lid 2 StGB voorligt, omdat de waarde van het verduisterde goed € 5.000 overschrijdt, verhoogt het strafbereik zich tot vrijheidsstraf tot drie jaar. In deze gevallen is de regionale rechtbank als alleenzittende rechter bevoegd, aangezien de strafdreiging de bevoegdheid van de districtsrechtbank overschrijdt.
Indien de waarde van het verduisterde goed € 300.000 overschrijdt, voorziet § 133 lid 2 StGB een vrijheidsstraf van één tot tien jaar voor. Op grond van deze strafdreiging is de schepenrechtbank bevoegd. Een beslissing door een alleenzittende rechter komt hier niet meer in aanmerking.
Een juryrechtbank is niet bevoegd, aangezien ook de hoogste strafdreiging van de § 133 StGB de wettelijke drempelwaarde voor diens bevoegdheid niet bereikt.
Peter HarlanderHarlander & Partner Rechtsanwälte „De gerechtelijke bevoegdheid volgt uitsluitend de wettelijke bevoegdheidsregeling. Doorslaggevend zijn strafbedreiging, plaats delict en procesbevoegdheid, niet de subjectieve inschatting van de betrokkenen of de feitelijke complexiteit van de zaak. “
Territoriale bevoegdheid
Plaatselijk bevoegd is in principe de rechtbank op de plaats van de daadhandeling. Doorslaggevend is die plaats, waar het toevertrouwde goed plichtmatig is toegeëigend, dus daar, waar de vertrouwensbreuk zich in het uiterlijke gebeuren heeft verwezenlijkt.
Als de plaats van het delict niet eenduidig kan worden vastgesteld, is de bevoegdheid afhankelijk van
- de woonplaats van de beschuldigde persoon,
- de plaats van arrestatie,
- of de zetel van het zakelijk bevoegde openbaar ministerie.
De procedure wordt gevoerd waar een doelmatige en ordelijke uitvoering het best gewaarborgd is.
Instanties
Tegen vonnissen van de districtsrechtbank of van de regionale rechtbank als alleenzittende rechter staan de wettelijke rechtsmiddelen van het beroep open.
Werd de verduistering voor de schepenrechtbank behandeld, zijn beroep en nietigheidsverklaring toegestaan. Bevoegd voor de beslissing is in deze gevallen het Oberste Gerichtshof, voor zover aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
Civiele vorderingen in strafzaken
Bij de verduistering volgens § 133 StGB kan de benadeelde persoon als privé-partij haar civielrechtelijke aanspraken onmiddellijk in de strafprocedure geldend maken. Aangezien het om de plichtmatige omgang met een toevertrouwd goed gaat, richten de aanspraken zich met name op de waarde van het verduisterde goed, op vergoeding voor ingetreden vermogensnadelen evenals op verdere schade, die door de onrechtmatige toe-eigening is ontstaan.
Afhankelijk van de feiten kunnen ook gevolgschade geldend worden gemaakt, bijvoorbeeld indien het toevertrouwde goed voor beroepsmatige, bedrijfsmatige of economisch essentiële doeleinden was bestemd en diens verduistering tot merkbare financiële nadelen heeft geleid.
De Privatbeteiligtenanschluss remt de verjaring van de geldend gemaakte aanspraken voor de duur van de strafprocedure. Pas na diens rechtsgeldige afsluiting loopt de verjaringstermijn verder, voor zover de schade niet volledig is toegewezen.
Een vrijwillige schadeloosstelling, bijvoorbeeld door teruggave van het goed, vergoeding van de waarde of een ernstig streven naar schadecompensatie, kan zich strafverminderend uitwerken, voor zover deze tijdig en volledig plaatsvindt.
Heeft de dader echter doelgericht, over een langere periode of op een wijze gehandeld, die tot een aanzienlijke vermogensschade heeft geleid, verliest een latere schadeloosstelling regelmatig een wezenlijk deel van haar verzachtende werking. In dergelijke gevallen kan de latere compensatie de vertrouwensbreuk en het onrecht van de daad slechts nog beperkt compenseren.
Sebastian RiedlmairHarlander & Partner Rechtsanwälte „Privatbeteiligtenansprüche moeten duidelijk worden gekwantificeerd en gedocumenteerd. Zonder een degelijke schadedocumentatie blijft de schadevergoeding in de strafprocedure vaak onvolledig en verschuift deze naar de civiele procedure. “
Overzicht van de strafprocedure
Begin van het onderzoek
Een strafprocedure vereist een concrete verdenking, vanaf wanneer een persoon als verdachte geldt en alle rechten van de verdachte kan uitoefenen. Aangezien het om een Offizialdelikt gaat, leiden politie en openbaar ministerie de procedure van ambtswege in, zodra er een overeenkomstige verdenking bestaat. Een bijzondere verklaring van de benadeelde is hiervoor niet vereist.
Politie en openbaar ministerie
Het openbaar ministerie leidt het opsporingsonderzoek en bepaalt het verdere verloop. De recherche verricht het nodige onderzoek, veiligt sporen, neemt getuigenverklaringen op en documenteert de schade. Uiteindelijk beslist het openbaar ministerie over seponering, diversie of vervolging, afhankelijk van schuldgraad, schadeomvang en bewijspositie.
Verhoor van de verdachte
Voor elk verhoor krijgt de verdachte persoon een volledige voorlichting over zijn rechten, in het bijzonder het zwijgrecht en het recht op bijstand van een advocaat. Verlangt de verdachte een advocaat, dan wordt het verhoor uitgesteld. Het formele verdachtenverhoor dient voor de confrontatie met de beschuldiging en het bieden van de mogelijkheid tot stellingname.
Inzage in het dossier
Inzage in de stukken kan bij politie, openbaar ministerie of rechtbank worden genomen. Dit omvat ook bewijsstukken, voor zover het onderzoeksdoel daardoor niet in gevaar komt. De voeging als benadeelde partij richt zich naar de algemene regels van het wetboek van strafvordering en maakt het de benadeelde mogelijk schadevergoedingsvorderingen direct in het strafproces geldend te maken.
Hoofdzitting
De terechtzitting dient voor de mondelinge bewijsvoering, de juridische beoordeling en de beslissing over eventuele civielrechtelijke vorderingen. De rechtbank onderzoekt in het bijzonder het verloop van de daad, opzet, schadeomvang en de geloofwaardigheid van de verklaringen. Het proces eindigt met veroordeling, vrijspraak of afdoening via diversie.
Rechten van de verdachte
- Informatie & verdediging: Recht op kennisgeving, rechtsbijstand, vrije advocaatkeuze, vertaalhulp, bewijsverzoeken.
- Zwijgen & advocaat: Zwijgrecht te allen tijde; bij bijstand van advocaat moet het verhoor worden uitgesteld.
- Waarschuwingsplicht: tijdige informatie over verdenking/rechten; uitzonderingen alleen ter waarborging van het onderzoeksdoel.
- Dossierinzage praktisch: Onderzoeks- en hoofdproceduredossiers; inzage van derden beperkt ten gunste van de verdachte.
Sebastian RiedlmairHarlander & Partner Rechtsanwälte „De juiste stappen in de eerste 48 uur bepalen vaak of een procedure escaleert of controleerbaar blijft.“
Praktijk & gedragstips
- Zwijgen bewaren.
Een korte verklaring volstaat: “Ik maak gebruik van mijn zwijgrecht en spreek eerst met mijn verdediging.” Dit recht geldt reeds vanaf het eerste verhoor door politie of Openbaar Ministerie. - Onmiddellijk verdediging contacteren.
Zonder inzage in de onderzoeksdossiers moet geen verklaring worden afgelegd. Pas na dossierinzage kan de verdediging inschatten welke strategie en welke bewijsvergaring zinvol zijn. - Bewijs onmiddellijk veiligstellen.
U dient alle beschikbare documenten, berichten, foto’s, video’s en andere opnames zo vroeg mogelijk veilig te stellen en in kopie te bewaren. Digitale gegevens moeten regelmatig worden opgeslagen en beschermd tegen latere wijzigingen. Noteer belangrijke personen als mogelijke getuigen en leg het verloop van de gebeurtenissen tijdig vast in een geheugenprotocol. - Geen contact met tegenpartij opnemen.
Eigen berichten, telefoontjes of posts kunnen als bewijsmiddel tegen u worden gebruikt. Alle communicatie moet uitsluitend via de verdediging verlopen. - Video- en dataopnamen tijdig veiligstellen.
Bewakingsvideo’s in openbaar vervoer, horeca of van huisbeheer worden vaak na enkele dagen automatisch gewist. Verzoeken tot databeveiliging moeten daarom direct aan beheerders, politie of OM worden gericht. - Huiszoekingen en inbeslagnames documenteren.
Bij huiszoekingen of inbeslagnames moet u om een kopie van het bevel of proces-verbaal vragen. Noteer datum, tijd, betrokken personen en alle meegenomen voorwerpen. - Bij arrestatie: geen verklaringen over de zaak afleggen.
Sta erop dat uw advocaat onmiddellijk wordt ingelicht. Voorlopige hechtenis mag alleen worden opgelegd bij dringende verdenking en een aanvullende detentiegrond. Minder ingrijpende maatregelen (bijv. belofte, meldplicht, contactverbod) hebben voorrang. - Herstel doelgericht voorbereiden.
Betalingen, symbolische prestaties, verontschuldigingen of andere compensatie-aanbiedingen mogen uitsluitend via de verdediging worden afgehandeld en gedocumenteerd. Een gestructureerd herstel kan een positief effect hebben op diversie en strafbepaling.
Peter HarlanderHarlander & Partner Rechtsanwälte „Wie overwogen handelt, bewijs veiligstelt en vroeg juridische ondersteuning zoekt, behoudt de controle over de procedure.“
Uw voordelen met juridische ondersteuning
De verduistering volgens § 133 StGB vereist, dat een toevertrouwd goed plichtmatig wordt toegeëigend en daarnaast een verrijkingsvoornemen voorligt. De juridische beoordeling hangt er in belangrijke mate van af, of daadwerkelijk een toevertrouwen bestond, hoe ver de ingeruimde beschikkingsmacht reikte, of een doel overschrijding voorligt en hoe de beweerde vermogensschade zich presenteert. Reeds geringe verschillen in het feitelijke verloop kunnen erover beslissen, of het bestanddeel is vervuld of niet.
Een vroegtijdige juridische begeleiding stelt zeker, dat de ten grondslag liggende rechtsverhouding correct wordt ingedeeld, de feitelijke omgang met het goed precies wordt verwerkt en ontlastende omstandigheden juridisch bruikbaar worden gemaakt.
Ons advocatenkantoor
onderzoekt, of de voorwaarden van een verduistering daadwerkelijk voorliggen of dat een louter civielrechtelijk conflict gegeven is,
- analyseert, of een toevertrouwen in strafrechtelijke zin bestond en of de beweerde toe-eigening objectief navolgbaar is,
- beoordeelt, of waarde kwalificaties juridisch houdbaar zijn en hoe deze zich op strafdreiging en procedure uitwerken,
- ontwikkelt een duidelijke verdedigingsstrategie, die de feiten volledig, gestructureerd en juridisch precies indeelt.
Als strafrechtelijk gespecialiseerde vertegenwoordiging stellen wij zeker, dat het verwijt van de verduistering zorgvuldig wordt onderzocht, juridisch correct wordt afgebakend en de procedure op een draagkrachtige feiten- en bewijsgrondslag wordt gevoerd.
Sebastian RiedlmairHarlander & Partner Rechtsanwälte „Juridische ondersteuning betekent het werkelijke gebeuren duidelijk te scheiden van waarderingen en daaruit een houdbare verdedigingsstrategie te ontwikkelen.“