Nalatige veroorzaking van brand
- Nalatige veroorzaking van brand
- Objectieve delictsomschrijving
- Afbakening van andere delicten
- Bewijslast & bewijswaardering
- Praktijkvoorbeelden
- Subjectieve delictsomschrijving
- Schuld & dwalingen
- Strafopheffing & diversie
- Straftoemeting & gevolgen
- Strafmaat
- Geldboete – Dagboetesysteem
- Gevangenisstraf & (gedeeltelijk) voorwaardelijke opschorting
- Bevoegdheid van de rechtbanken
- Civiele vorderingen in strafzaken
- Overzicht van de strafprocedure
- Rechten van de verdachte
- Praktijk & gedragstips
- Uw voordelen met juridische ondersteuning
- FAQ – Veelgestelde vragen
Nalatige veroorzaking van brand
Overeenkomstig § 170 StGB is er sprake van nalatige veroorzaking van brand, indien door onzorgvuldig gedrag een brand wordt veroorzaakt, zonder dat de dader de brand opzettelijk wilde veroorzaken. Niet de materiële schade is doorslaggevend, maar het door de brand veroorzaakte algemene gevaar voor mensen, dieren of andermans eigendom. Het onrecht ligt in de plichtswidrige veronachtzaming van geboden voorzorgsmaatregelen bij brandgevaarlijke activiteiten. De strafbaarheid is gekoppeld aan het objectief voorzienbare brandgevaar en de daadwerkelijke realisatie daarvan. De nalatige veroorzaking van brand is daarom geen louter ongeluk, maar een strafrechtelijk relevant gevaarzettingsdelict.
Er is sprake van nalatige veroorzaking van brand, indien door onachtzaamheid of schending van de zorgplicht een brand ontstaat die mensen of andermans eigendom in aanzienlijk gevaar brengt.
Sebastian RiedlmairHarlander & Partner Rechtsanwälte „De juridische beoordeling hangt niet af van de omvang van de materiële schade, maar van de vraag of het vuur zich ongecontroleerd heeft verspreid en er een concreet algemeen gevaar is ontstaan.“
Objectieve delictsomschrijving
Het objectieve bestanddeel omvat uitsluitend de uiterlijk waarneembare feitelijke gebeurtenis. Doorslaggevend zijn concrete handelingen, nalatigheden, processen, gebruikte middelen en ingetreden gevolgen. Interne processen zoals opzet, kennis of motieven zijn irrelevant en behoren niet tot het objectieve bestanddeel.
Het objectieve bestanddeel van de nalatige veroorzaking van brand is vervuld, indien door een gedraging of plichtswidrig nalaten een brand in de zin van § 169 StGB wordt veroorzaakt. Er is sprake van brand, indien een brand zich ongecontroleerd verspreidt en niet meer zonder meer beheersbaar is. Een loutere ontsteking is niet voldoende, vereist is een brandtypisch, zelfstandig brandverloop.
Aangezien § 170 StGB verwijst naar § 169 StGB, gelden voor het objectieve bestanddeel dezelfde voorwaarden met betrekking tot brandwerking en gevaarsituatie. De brand moet ofwel aan een vreemde zaak zonder toestemming van de eigenaar zijn veroorzaakt, ofwel aan de eigen zaak of met toestemming van de eigenaar, mits daardoor lijf of leven van een mens of andermans eigendom in grote mate in gevaar wordt gebracht.
Het objectieve bestanddeel is reeds vervuld, indien door de brand een reële gevaarsituatie ontstaat. Een daadwerkelijke schade aan personen of vermogen is niet vereist. Doorslaggevend is dat het vuur na zijn verloop geschikt is om mensen of andermans rechtsgoederen aanzienlijk in gevaar te brengen.
Kwalificerende omstandigheden
Volgens § 170 lid 2 StGB is er sprake van een gekwalificeerde nalatige brand, indien de daad
- de dood van een mens of
- zwaar lichamelijk letsel bij een groter aantal mensen of
- het in nood brengen van veel mensen
tot gevolg heeft.
Heeft de daad de dood van een groter aantal mensen tot gevolg gehad, dan is er sprake van de zwaarste kwalificatie.
Deze gevolgen moeten causaal terug te voeren zijn op de brand. Doorslaggevend is het daadwerkelijk intreden van de zware gevolgen, niet slechts het abstracte gevaar van de brand.
Toetsingsstappen
Dader:
Subject van de daad kan iedere strafrechtelijk verantwoordelijke persoon zijn. Er zijn geen bijzondere persoonlijke eigenschappen vereist. Iedereen die door zijn gedrag of plichtswidrig nalaten een brand veroorzaakt, kan dader zijn.
Slachtoffer:
Het object van de daad is elke zaak, waarop de brand ontstaat. Dat kan een vreemde zaak zonder toestemming van de eigenaar zijn of de eigen zaak respectievelijk een vreemde zaak met toestemming, mits daardoor lijf of leven van mensen of andermans eigendom in grote mate in gevaar wordt gebracht. Beschermd rechtsgoed is daarbij niet de zaak zelf, maar de veiligheid van de algemeenheid.
Delictshandeling:
De daad bestaat uit het veroorzaken van een brand door doen of plichtswidrig nalaten. Vereist is een gedraging die onmiddellijk leidt tot het ontstaan en de ongecontroleerde verspreiding van het vuur. Een loutere ontsteking is niet voldoende, doorslaggevend is een brandtypisch, zelfstandig brandverloop.
Delictsgevolg:
Het gevolg van de daad ligt in het ontstaan van de brand en de daardoor veroorzaakte concrete bedreiging van mensen of andermans eigendom. Een daadwerkelijke schade aan personen of vermogen is niet vereist. Treedt de dood van een mens, zware lichamelijke letsels van een groter aantal mensen of het in nood brengen van veel mensen in, dan is er sprake van een kwalificatie overeenkomstig § 170 lid 2 StGB .
Causaliteit:
Tussen het gedrag of nalaten en de brand moet een oorzakelijk verband bestaan. De brand moet juist vanwege dit gedrag zijn ontstaan en buiten controle zijn geraakt. Zonder dit gedrag zou er geen brand zijn ontstaan.
Objectieve toerekening:
Het gevolg is objectief toerekenbaar, indien zich precies het typische brandgevaar realiseert, dat § 169 en § 170 StGB willen voorkomen. Bedoeld wordt de oncontroleerbare verspreiding van het vuur met de concrete bedreiging van mensen en andermans rechtsgoederen.
Sebastian RiedlmairHarlander & Partner Rechtsanwälte „Zonder navolgbare causaliteit tussen het onzorgvuldige gedrag en het ontstaan van de brand is het verwijt juridisch niet houdbaar.“
Afbakening van andere delicten
De nalatige veroorzaking van brand omvat gevallen waarin door onzorgvuldig gedrag of plichtswidrig nalaten een oncontroleerbare brandontwikkeling wordt veroorzaakt, die een aanzienlijk gevaar voor mensen of andermans rechtsgoederen vormt. Het zwaartepunt van het onrecht ligt niet in de materiële schade, maar in het algemene gevaar, dat van de brand uitgaat. Doorslaggevend is de brandtypische onbeheersbaarheid van het vuur. Het verschil met brandstichting ligt uitsluitend in het ontbreken van opzet.
- § 125 StGB – Beschadiging van zaken: De beschadiging van zaken omvat het beschadigen of vernielen van een zaak zonder algemeen gevaar. Hiervan is sprake, indien een zaak bijvoorbeeld door vuur wordt beschadigd, zonder dat de brand zich ongecontroleerd verspreidt. Komt het slechts tot een lokale brand, die beheersbaar blijft en geen bedreiging van derden vormt, dan is er geen brand, maar beschadiging van zaken. Zodra het vuur zich echter zelfstandig verspreidt en buiten controle raakt, is er sprake van § 170 StGB.
- § 169 StGB – Brandstichting: Brandstichting vereist dat de brand opzettelijk wordt veroorzaakt. De dader handelt met kennis en wil met betrekking tot de brandveroorzaking en het algemene gevaar. § 170 StGB omvat daarentegen gevallen waarin de dader de brand niet wil, maar deze door schending van de zorgplicht veroorzaakt. Het uiterlijke verloop is identiek, het verschil ligt alleen in het innerlijke bestanddeel. Is er sprake van opzet, dan is § 170 StGB uitgesloten.
Samenloop:
Meerdaadse samenloop:
Echte samenloop is aan de orde, indien bij de nalatige veroorzaking van brand verdere zelfstandige delicten komen, zoals nalatige lichamelijke letsel, zware lichamelijke letsel, nalatige doodslag, beschadiging van zaken of huisvredebreuk. De delicten staan naast elkaar, aangezien verschillende rechtsgoederen worden geschonden.
Eendaadse samenloop:
Onechte samenloop is aan de orde, indien een ander bestanddeel de volledige onrechtmatigheid van de daad volledig omvat. Dat is bij de nalatige brand slechts bij uitzondering denkbaar, aangezien § 170 StGB als gevaarzettingsdelict een zelfstandige onrechtmatigheid vertoont.
Meerdaadse samenloop:
Meerdaadse samenloop is aan de orde, indien meerdere nalatige brandveroorzakingen onafhankelijk van elkaar worden begaan, bijvoorbeeld op verschillende plaatsen of op verschillende tijdstippen. Elke brand vormt een eigen strafrechtelijke daad.
Sebastian RiedlmairHarlander & Partner Rechtsanwälte „In de procedure is de vraag naar de brandoorzaak centraal. Zonder een navolgbare causaliteit tussen handelen en brand blijft het verwijt juridisch aanvechtbaar. “
Bewijslast & bewijswaardering
Openbaar Ministerie:
Het openbaar ministerie moet aantonen dat de beschuldigde persoon door onzorgvuldig gedrag of plichtswidrig nalaten een brand heeft veroorzaakt. Doorslaggevend is niet de loutere materiële schade, maar het bewijs dat het tot een oncontroleerbare brandontwikkeling met algemeen gevaar is gekomen. Doorslaggevend is dat het vuur niet meer beheersbaar was en er een concreet gevaar voor mensen of andermans rechtsgoederen bestond.
Daarnaast moet worden aangetoond of verzwarende gevolgen zijn ingetreden, zoals zware verwondingen, sterfgevallen of het in nood brengen van veel mensen.
In het bijzonder moet worden bewezen dat
- er daadwerkelijk een brand is ontstaan,
- het vuur zich zelfstandig en ongecontroleerd heeft verspreid,
- de betrokken zaak vreemd was of er ondanks toestemming van derden een bedreiging is ingetreden,
- er een concreet gevaar voor mensen of andermans eigendom heeft bestaan,
- de brand causaal terug te voeren is op het gedrag of nalaten van de beschuldigde persoon,
- er geen louter lokaal beperkte of onmiddellijk beheersbare brandhandeling voorlag,
- er eventueel zware verwondingen, overlijdensgevallen of noodsituaties zijn ingetreden.
Het openbaar ministerie moet aantonen of brandverloop, verspreiding en gevaarsituatie objectief vaststelbaar zijn en of zich juist het typische brandgevaar heeft gerealiseerd.
Rechtbank:
De rechtbank onderzoekt alle bewijzen in het totale verband en beoordeelt of er sprake is van een brand in juridische zin. Centraal staat de vraag of het vuur oncontroleerbaar was, of er een algemeen gevaar bestond en of dit de beschuldigde persoon objectief toerekenbaar is.
Daarnaast onderzoekt de rechtbank of verzwarende gevolgen daadwerkelijk zijn ingetreden en aan de beschuldigde kunnen worden toegerekend.
Daarbij houdt de rechtbank met name rekening met
- aard, intensiteit en verloop van de brand,
- de verspreidingssnelheid en beheersbaarheid van het vuur,
- de gevaarsituatie voor mensen en andermans zaken,
- brandoorzakenonderzoek en expertise,
- plaats delictsporen en brandresten,
- getuigenverklaringen over het ontstaan en de verspreiding,
- brandweerprotocollen en inzetverslagen,
- medische bevindingen bij gewonden,
- het tijdsverband tussen gedrag en branduitbraak.
De rechtbank maakt een duidelijk onderscheid tussen louter brandstichting, beschadiging van zaken zonder algemeen gevaar en beheersbare branden zonder brandkarakter.
Beschuldigde persoon:
De verdachte draagt geen bewijslast. Hij kan echter gegronde twijfels aantonen, in het bijzonder met betrekking tot
- of er daadwerkelijk sprake was van een brand,
- of het vuur beheersbaar of snel blusbaar was,
- of er een algemeen gevaar voor mensen of andermans zaken bestond,
- of de brand causaal terug te voeren is op hun gedrag of nalaten,
- of er slechts een beschadiging van zaken voorligt,
- of de gebeurtenis nalatig en niet verwijtbaar onzorgvuldig was,
- of alternatieve brandoorzaken in aanmerking komen,
- of er tegenstrijdigheden of leemten in de weergave van het brandverloop bestaan.
Zij kan bovendien aantonen dat de gebeurtenis anders is verlopen, het vuur niet buiten controle is geraakt of niet aan de voorwaarden voor de nalatige veroorzaking van brand is voldaan.
Typische beoordeling
In de praktijk zijn bij nalatige veroorzaking van brand met name de volgende bewijsmiddelen van belang:
- brandexpertise en deskundigenrapporten,
- brandweer- en inzetprotocollen,
- getuigenverklaringen over de branduitbraak en de verspreiding,
- video-opnamen of foto’s van de brand,
- sporen op de plaats van de brand,
- medische documentatie bij verwondingen,
- tijdsverlopen tussen handeling, nalaten en branduitbraak.
Peter HarlanderHarlander & Partner Rechtsanwälte „Brandexpertise, inzetprotocollen en getuigenverklaringen zijn alleen dan overtuigend als ze een consistent verloop laten zien. Tegenspraken bij verspreiding, blusbaarheid of tijdsverloop creëren gerechtvaardigde twijfels. “
Praktijkvoorbeelden
- Onbeheerd strijkijzer in woning: De beschuldigde persoon laat een ingeschakeld strijkijzer op de strijkplank liggen en verlaat de woning. De stof begint te branden, het vuur grijpt over op gordijnen en meubels, dichte rook trekt in het trappenhuis. Meerdere bewoners moeten worden geëvacueerd. Doorslaggevend is dat door onzorgvuldig gedrag een oncontroleerbare brandontwikkeling met algemeen gevaar is veroorzaakt.
- Verwijdering van hete as in een flatgebouw: De beschuldigde persoon leegt een asemmer met nog gloeiende as in een plastic afvalcontainer op de binnenplaats. De container vat vlam, de vlammen grijpen over op de gevel, woningen zijn in gevaar. Doorslaggevend is dat de brand niet gewild, maar door plichtswidrige onachtzaamheid is veroorzaakt en er een concreet gevaar voor mensen en andermans eigendom is ontstaan.
Deze voorbeelden laten zien dat de nalatige veroorzaking van brand altijd dan voorligt, indien door onachtzaamheid of plichtsverzuim een brand buiten controle raakt en er een algemeen gevaar ontstaat. Doorslaggevend is niet de intentie, maar de daadwerkelijke veroorzaking van een onbeheersbare brandontwikkeling.
Subjectieve delictsomschrijving
Het subjectieve bestanddeel van de nalatige veroorzaking van brand wordt gekenmerkt door nalatigheid. De dader wil de brand niet, maar veroorzaakt hem als gevolg van onzorgvuldig gedrag of plichtswidrig nalaten. Doorslaggevend is dat hij de geboden zorg buiten beschouwing laat, waartoe hij naar de omstandigheden verplicht was en waartoe hij naar zijn persoonlijke vaardigheden in staat was.
Er is sprake van nalatigheid, indien de dader het ontstaan van een brand ofwel niet bedenkt, hoewel hij deze bij behoorlijke oplettendheid had moeten herkennen, of erop vertrouwt dat het toch niet zover zal komen, hoewel het brandgevaar objectief voor de hand ligt. Doorslaggevend is dat de onbeheersbare brandontwikkeling voor een bedachtzaam mens voorzienbaar en vermijdbaar was.
Het subjectieve bestanddeel vereist geen opzet met betrekking tot de brandveroorzaking en geen goedkeuring van het algemene gevaar. De dader hoeft noch te willen, noch op de koop toe te nemen dat het vuur zich ongecontroleerd verspreidt of mensen en andermans rechtsgoederen in gevaar brengt. Juist het ontbreken van opzet onderscheidt § 170 StGB van brandstichting.
Het verwijt van nalatigheid heeft betrekking op het feit dat de dader de brandtypische gevaarlijkheid van zijn gedrag miskent of onderschat, bijvoorbeeld door onachtzaam omgaan met open vuur, warmtebronnen of licht ontvlambare materialen, of door het nalaten van voor de hand liggende beveiligingsmaatregelen.
Met betrekking tot de zware gevolgen volgens § 170 lid 2 StGB zoals dood van een mens, zware lichamelijke letsels van een groter aantal mensen of het in nood brengen van veel mensen is eveneens geen opzet vereist. Het volstaat dat deze gevolgen nalatig zijn veroorzaakt en de dader toerekenbaar zijn.
Nalatigheid ontbreekt, indien de brand door overmacht, door een volkomen atypisch causaal verloop of door een onvoorzienbaar gedrag van derden wordt veroorzaakt, dat de dader niet kon beheersen. Evenzo ontbreekt nalatigheid, indien de dader alle geboden zorgvuldigheidsmaatregelen in acht heeft genomen en de brand desondanks is ontstaan.
Kies nu uw gewenste afspraak:Gratis eerste gesprekSchuld & dwalingen
Een verbodsdwaling is alleen verschoonbaar als deze onvermijdelijk was. Wie met vuur, warmtebronnen of brandgevaarlijke voorwerpen omgaat, is verplicht zich te informeren over de wettelijke en veiligheidsrelevante grenzen van zijn handelen. Vooral bij typische gevarenbronnen zoals kaarsen, elektrische apparaten, open vuur of hete asresten is algemeen bekend dat er aanzienlijk brandgevaar bestaat.
Een loutere onwetendheid over de strafbaarheid of een lichtvaardige dwaling over de toelaatbaarheid van het gedrag sluit schuld niet uit. Een vermijdbare verbodsdwaling laat de strafbaarheid onverlet.
Schuldbeginsel:
Strafbaar is alleen wie schuldhaftig nalatig handelt. De dader moet de vereiste zorgvuldigheid buiten beschouwing hebben gelaten, waartoe hij naar de omstandigheden verplicht was en waartoe hij naar zijn persoonlijke vaardigheden in staat zou zijn geweest. Doorslaggevend is dat het ontstaan van een brand objectief voorzienbaar en vermijdbaar was.
Wie er serieus en op goede gronden op vertrouwt dat er geen brandgevaar bestaat en alle veiligheidsmaatregelen zijn getroffen, handelt niet schuldhaftig nalatig. Loutere verkeerde prognoses of onachtzaamheid ondanks herkenbaar gevaar vormen daarentegen wel een grond voor schuld.
Ontoerekeningsvatbaarheid:
Geen schuld treft wie ten tijde van het feit op grond van een ernstige psychische stoornis, ziekelijke geestelijke beperking of aanzienlijke controle-onbekwaamheid niet in staat was de gevaarlijkheid van zijn gedrag te herkennen of naar dit inzicht te handelen. In dergelijke gevallen is de toerekeningsvatbaarheid uitgesloten.
Bij overeenkomstige twijfel wordt een psychiatrisch rapport ingewonnen. Indien er slechts sprake is van een verminderde toerekeningsvatbaarheid, kan dit strafverminderend werken.
Verontschuldigende noodtoestand:
Een verontschuldigende noodtoestand kan zich voordoen, indien de dader in een acute, onredelijke dwangpositie handelt om een actueel gevaar voor lijf of leven af te wenden, bijvoorbeeld om door rook of hitte een vluchtweg te forceren.
Het gedrag blijft onrechtmatig, kan echter schuldverminderend of verontschuldigend werken, indien er geen ander redelijk middel ter beschikking stond om het gevaar af te wenden. Voorwaarde is dat de gevaarlijke situatie reëel en onmiddellijk was.
Wie abusievelijk gelooft door zijn gedrag een noodtoestand-achtige situatie te moeten beheersen, handelt zonder opzet. De dwaling kan de schuld verminderen of uitsluiten, indien deze navolgbaar en niet lichtvaardig was.
Blijft er echter een zorgvuldigheidsfout bestaan, dan komt nalatige verantwoordelijkheid in aanmerking. Een rechtvaardiging is in dit geval niet aan de orde.
Strafopheffing & diversie
Diversie:
Het door nalatigheid veroorzaken van een brand is in de basismisdrijf met een gevangenisstraf van maximaal één jaar of een geldboete bedreigd. Daarmee wordt de wettelijke maximumgrens van vijf jaar overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering duidelijk onderschreden. Een afleidingsregeling is daarom in principe toegestaan.
Een afleiding komt met name in aanmerking als
- geen zware gevolgen van het feit zijn ingetreden,
- de schuld niet als zwaar is aan te merken,
- er geen overlijden heeft plaatsgevonden,
- de beschuldigde inzichtelijk is en verantwoordelijkheid neemt,
- de ontstane schade vergoed of goedgemaakt wordt,
- er geen relevante eerdere veroordelingen zijn.
In de praktijk komen vooral de volgende vormen van afleiding in aanmerking:
- Betaling van een geldbedrag,
- Verrichting van prestaties ten bate van het algemeen nut,
- Vaststelling van een proeftijd met verplichtingen,
- Bemiddeling tussen dader en slachtoffer.
Vooral bij nalatige woningbranden, keukenbranden, verkeerde bediening van elektrische apparaten of ondeskundige asverwijdering wordt regelmatig onderzocht of een afleidingsregeling voldoende is om de beschuldigde van verdere strafbare feiten te weerhouden.
Uitsluiting van diversie:
Een afleiding is wettelijk uitgesloten, indien het feit de dood van een mens tot gevolg heeft gehad of de schuld als zwaar is te beoordelen. Hetzelfde geldt bij bijzonder ernstige schendingen van de zorgvuldigheid of indien een groot aantal mensen concreet in gevaar is gebracht en dit een hoge mate van onverantwoordelijkheid laat zien.
Evenzo is afleiding praktisch uitgesloten, indien
- zware lichamelijke letsels van een groter aantal mensen zijn ingetreden,
- veel mensen in nood zijn gebracht of
- het brandverloop een bijzonder hoog potentieel voor gevaar voor het algemeen heeft vertoond.
In deze gevallen wordt het onrecht niet meer als gering beschouwd. Het komt regelmatig tot een formele aanklacht en gerechtelijke veroordeling.
Indien de nalatige brandstichting de dood van een groter aantal mensen tot gevolg heeft gehad, is afleiding wettelijk ontoelaatbaar.
Sebastian RiedlmairHarlander & Partner Rechtsanwälte „Afleiding vereist dat schuld en gevolgen gering zijn. Zodra mensen concreet in gevaar zijn gebracht of gewond zijn geraakt, is een afleidingsregeling regelmatig uitgesloten. “
Straftoemeting & gevolgen
De rechtbank bepaalt de straf naar de omvang van het gevaar voor het algemeen, maar vooral naar de aard, intensiteit en onbeheersbaarheid van de brand, alsook naar de concrete gevolgen van het feit. Doorslaggevend is hoe sterk lijf of leven van mensen in gevaar zijn gebracht of gewond zijn geraakt en welke omvang de bedreiging voor andermans eigendom had. De zuivere materiële schade treedt ten opzichte van de gevaarscomponent duidelijk terug, blijft echter voor de totale beoordeling relevant.
Bijzonder zwaar weegt, hoe zwaar de schending van de zorgvuldigheid weegt, of het brandgevaar duidelijk herkenbaar was, of voor de hand liggende veiligheidsmaatregelen achterwege zijn gelaten en welk verspreidings- en escalatiepotentieel bestond. Bij zware gevolgen van het feit zoals zware verwondingen, overlijdensgevallen of het in nood brengen van veel mensen zijn deze gevolgen een centrale factor bij de strafmaatbepaling.
Strafverzwarende omstandigheden zijn met name als
- de brand door grove of bijzonder lichtvaardige schendingen van de zorgvuldigheid is veroorzaakt,
- het brandverloop snel buiten controle is geraakt,
- mensen concreet in gevaar zijn gebracht of gewond zijn geraakt,
- andermans eigendom in grote mate is getroffen,
- een hoge mate van onverantwoordelijkheid aanwezig was,
- er relevante eerdere veroordelingen bestaan.
Strafverminderende omstandigheden zijn bijvoorbeeld
- Onberispelijkheid,
- een vroege, uitgebreide bekentenis,
- zichtbaar berouw en inzicht,
- actieve schadevergoeding, voor zover mogelijk,
- een ondergeschikte betrokkenheid bij de daad,
- een bovenmatig lange duur van de procedure.
Strafmaat
Bij het door nalatigheid veroorzaken van een brand richt de strafmaat zich naar de ernst van het gevaar voor het algemeen en naar de ingetreden gevolgen. Doorslaggevend is niet de loutere materiële schade, maar de omvang van de bedreiging van mensen en andermans rechtsgoederen.
Wordt een brand nalatig veroorzaakt, zonder dat er zware gevolgen van het feit intreden, dan voorziet de wet in een vrijheidsstraf van maximaal één jaar of een geldboete van maximaal 720 dagtarieven. Reeds deze basisvorm is strafbaar, omdat ook nalatig gedrag een oncontroleerbare brandontwikkeling met aanzienlijk gevaar voor het algemeen kan veroorzaken.
Indien de nalatige brandstichting de dood van een mens, zware lichamelijke letsels van een groter aantal mensen of het in nood brengen van veel mensen tot gevolg heeft, wordt de strafmaat verhoogd tot een vrijheidsstraf van maximaal drie jaar. In deze gevallen beoordeelt de wetgever de concrete schade aan mensenlevens en de massale gevaarlijke situatie als bijzonder ernstig.
Indien het als gevolg van de nalatige brandstichting tot de dood van een groter aantal mensen komt, ligt de strafmaat bij een vrijheidsstraf van zes maanden tot maximaal vijf jaar. In deze constellaties treedt het nalatigheidsaspect op de achtergrond en staat de dodelijke afloop van het gevaar voor het algemeen op de voorgrond.
Geldboete – Dagboetesysteem
Het Oostenrijkse strafrecht berekent geldboetes volgens het dagboetesysteem. Het aantal dagboetes is gebaseerd op de schuld, het bedrag per dag op de financiële draagkracht. Zo wordt de straf aangepast aan de persoonlijke omstandigheden en blijft deze toch voelbaar.
- Spanne: tot 720 dagtarieven – minstens € 4, hoogstens € 5.000 per dag.
- Praktijkformule: Ongeveer 6 maanden gevangenisstraf komt overeen met ongeveer 360 dagboetes. Deze omrekening dient slechts als oriëntatie en is geen star schema.
- Bij niet-betaling: De rechtbank kan een vervangende vrijheidsstraf opleggen. In de regel geldt: 1 dag vervangende vrijheidsstraf komt overeen met 2 dagboetes.
Opmerking:
Bij het door nalatigheid veroorzaken van een brand is in de basismisdrijf regelmatig ook een geldboete voorzien. Bij zware gevolgen van het feit zoals verwondingen, overlijdensgevallen of massaal gevaar voor het algemeen treedt de geldboete op de achtergrond en wordt overwegend een vrijheidsstraf opgelegd.
Gevangenisstraf & (gedeeltelijk) voorwaardelijke opschorting
§ 37 StGB: Indien de wettelijke strafdreiging maximaal vijf jaar bedraagt, kan de rechtbank in plaats van een korte vrijheidsstraf van maximaal één jaar een geldboete opleggen.
Deze mogelijkheid bestaat bij het door nalatigheid veroorzaken van een brand in principe, aangezien de strafmaat in de basismisdrijf maximaal één jaar vrijheidsstraf of een geldboete bedraagt. § 37 StGB is daarom van toepassing.
§ 43 StGB: Een gevangenisstraf kan voorwaardelijk worden kwijtgescholden als deze niet meer dan twee jaar bedraagt en er een positieve sociale prognose voorligt. Dit is bij § 170 StGB regelmatig relevant, aangezien de strafmaat in de basismisdrijf duidelijk daaronder ligt.
§ 43a StGB: De gedeeltelijk voorwaardelijke kwijtschelding staat een combinatie van onvoorwaardelijk en voorwaardelijk kwijtgescholden strafdeel toe. Deze is bij straffen van meer dan zes maanden en maximaal twee jaar mogelijk. Ook deze vorm van strafkwijtschelding komt bij § 170 StGB in aanmerking, met name bij een hogere mate van schuld zonder zware gevolgen van het feit.
§§ 50 tot 52 StGB: De rechtbank kan aanwijzingen geven en reclassering gelasten, bijvoorbeeld
- schadevergoeding,
- gedragsvoorschriften,
- structurerende maatregelen ter voorkoming van terugval.
Bij het door nalatigheid veroorzaken van een brand komen deze maatregelen doorgaans begeleidend in het kader van een voorwaardelijke of gedeeltelijk voorwaardelijke strafkwijtschelding in aanmerking. Ze kunnen de vrijheidsstraf niet vervangen, maar aanvullend afdekken, met name bij first offenders en inzichtelijke schadeverwerking.
Bevoegdheid van de rechtbanken
Materiële bevoegdheid
Bij het door nalatigheid veroorzaken van een brand richt de zakelijke bevoegdheid zich primair naar de hoogte van de bedreigde vrijheidsstraf. In de basismisdrijf is het feit met een vrijheidsstraf van maximaal één jaar of een geldboete bedreigd. Daarmee valt de hoofdprocedure in principe onder de bevoegdheid van de Bezirksgericht.
Indien er een kwalificatie intreedt en de strafmaat stijgt naar een vrijheidsstraf van maximaal drie jaar of naar een vrijheidsstraf van zes maanden tot maximaal vijf jaar, dan is de hoofdprocedure niet meer bij de Bezirksgericht te voeren. In deze gevallen is de alleenrechtsprekende rechter van de Landesgericht bevoegd.
Bezirksgericht
Deze bevoegdheid is aan de orde, indien het door nalatigheid veroorzaken van een brand in de basismisdrijf is te beoordelen en er geen kwalificerende gevolgen van het feit voorliggen. De Bezirksgericht beslist door alleenrechtsprekende rechter.
Landesgericht als alleenrechtsprekende rechter
Deze bevoegdheid is aan de orde, indien de nalatige brandstichting
- tot zware lichamelijke letsels van een groter aantal mensen leidt of
- de dood van een mens tot gevolg heeft of
- veel mensen in nood worden gebracht of
- de dood van een groter aantal mensen tot gevolg heeft.
In deze gevallen staat niet meer alleen het gevaar voor het algemeen, maar de bijzonder ernstige gevolg op de voorgrond. Bevoegd is dan de alleenrechtsprekende rechter van de Landesgericht.
Landesgericht als Schöffengericht en Landesgericht als Geschworenengericht
Een bevoegdheid als Schöffen- of Geschworenengericht volgt bij het door nalatigheid veroorzaken van een brand niet reeds uit het delict alleen, omdat de strafdreiging in het gekwalificeerde kader de vijf jaar niet overschrijdt. Een bevoegdheid van een hoger rechtscollege kan zich echter uit het verband voordoen, indien tegelijkertijd verdere strafbare feiten worden aangeklaagd, die een hogere rechtbankbezetting vereisen.
Peter HarlanderHarlander & Partner Rechtsanwälte „De gerechtelijke bevoegdheid volgt uitsluitend de wettelijke bevoegdheidsregeling. Doorslaggevend zijn strafbedreiging, plaats delict en procesbevoegdheid, niet de subjectieve inschatting van de betrokkenen of de feitelijke complexiteit van de zaak. “
Territoriale bevoegdheid
Plaatselijk bevoegd is in principe de rechtbank op de plaats van het delict. Doorslaggevend is, waar de nalatige veroorzaking van de brand is gezet of waar de brand zijn werking heeft ontplooid. Beslissend is de plaats van de daad of de plaats van het brandgevolg.
Indien de plaats van het delict niet eenduidig kan worden vastgesteld, richt de bevoegdheid zich naar
- de woonplaats of verblijfplaats van de beschuldigde persoon,
- de plaats van de arrestatie of
- de zetel van het bevoegde openbaar ministerie.
Ontbreekt ook daaraan een eenduidige aanknoping, dan is die rechtbank bevoegd, in wiens district de aanklacht is ingediend. Doorslaggevend is, waar een doelmatige, geordende en efficiënte procesvoering het beste is gewaarborgd.
Instanties
Tegen vonnissen van de Bezirksgericht is het beroep bij de Landesgericht toegestaan.
Tegen vonnissen van de Landesgericht als alleenrechtsprekende rechter is het beroep bij de Oberlandesgericht toegestaan.
Een cassatieberoep bij de Obersten Gerichtshof komt alleen in aanmerking, indien de Landesgericht als Schöffen- of Geschworenengericht heeft beslist.
Civiele vorderingen in strafzaken
Bij het door nalatigheid veroorzaken van een brand kan de benadeelde persoon als Privatbeteiligte haar civielrechtelijke aanspraken direct in de strafprocedure geldend maken. Deze richten zich met name op materiële schade, herstelkosten, waardevermindering alsook op gevolgschade, die door de brand is ontstaan.
Daarnaast kunnen letselschade vergoed worden verlangd, bijvoorbeeld behandelingskosten, gederfde inkomsten, smartengeld en overige onmiddellijke gevolgen van het feit, indien mensen door de brand gewond zijn geraakt of in noodsituaties zijn terechtgekomen.
De Privatbeteiligtenanschluss hemmt die Verjährung van de geldend gemaakte aanspraken, zolang de strafprocedure aanhangig is. Na een onherroepelijke afsluiting loopt de verjaring slechts in zoverre verder, als de aanspraken niet zijn toegewezen.
Een vrijwillige schadevergoeding kan zich strafverminderend uitwerken, indien deze tijdig en serieus plaatsvindt. Bij het door nalatigheid veroorzaken van een brand is deze verzachtende werking in de praktijk vaak duidelijk sterker dan bij opzettelijke brandstichting, omdat de dader de schade niet heeft gewild.
Hoe geringer de schending van de zorgvuldigheid en hoe sneller de schadeloosstelling plaatsvindt, des te groter is het strafverminderende effect. Liggen er daarentegen grove nalatigheid, aanzienlijk gevaar voor het algemeen of letselschade voor, dan treedt ook bij § 170 StGB de betekenis van de schadeloosstelling merkbaar op de achtergrond.
Sebastian RiedlmairHarlander & Partner Rechtsanwälte „Privatbeteiligtenansprüche moeten duidelijk worden gekwantificeerd en gedocumenteerd. Zonder een degelijke schadedocumentatie blijft de schadevergoeding in de strafprocedure vaak onvolledig en verschuift deze naar de civiele procedure. “
Overzicht van de strafprocedure
Begin van het onderzoek
Een strafprocedure vereist een concrete verdenking, vanaf wanneer een persoon als verdachte geldt en alle rechten van de verdachte kan uitoefenen. Aangezien het om een Offizialdelikt gaat, leiden politie en openbaar ministerie de procedure van ambtswege in, zodra er een overeenkomstige verdenking bestaat. Een bijzondere verklaring van de benadeelde is hiervoor niet vereist.
Politie en openbaar ministerie
Het openbaar ministerie leidt het opsporingsonderzoek en bepaalt het verdere verloop. De recherche verricht het nodige onderzoek, veiligt sporen, neemt getuigenverklaringen op en documenteert de schade. Uiteindelijk beslist het openbaar ministerie over seponering, diversie of vervolging, afhankelijk van schuldgraad, schadeomvang en bewijspositie.
Verhoor van de verdachte
Voor elk verhoor krijgt de verdachte persoon een volledige voorlichting over zijn rechten, in het bijzonder het zwijgrecht en het recht op bijstand van een advocaat. Verlangt de verdachte een advocaat, dan wordt het verhoor uitgesteld. Het formele verdachtenverhoor dient voor de confrontatie met de beschuldiging en het bieden van de mogelijkheid tot stellingname.
Inzage in het dossier
Inzage in de stukken kan bij politie, openbaar ministerie of rechtbank worden genomen. Dit omvat ook bewijsstukken, voor zover het onderzoeksdoel daardoor niet in gevaar komt. De voeging als benadeelde partij richt zich naar de algemene regels van het wetboek van strafvordering en maakt het de benadeelde mogelijk schadevergoedingsvorderingen direct in het strafproces geldend te maken.
Hoofdzitting
De hoofdverhandeling dient de mondelinge bewijsopname, de juridische beoordeling en de beslissing over eventuele civielrechtelijke aanspraken. De rechtbank onderzoekt met name de toedracht van het feit, de hoogte van de schade en de geloofwaardigheid van de verklaringen. De procedure wordt afgesloten met een schuldigverklaring, vrijspraak of afleidingsregeling.
Rechten van de verdachte
- Informatie & verdediging: Recht op kennisgeving, rechtsbijstand, vrije advocaatkeuze, vertaalhulp, bewijsverzoeken.
- Zwijgen & advocaat: Zwijgrecht te allen tijde; bij bijstand van advocaat moet het verhoor worden uitgesteld.
- Waarschuwingsplicht: tijdige informatie over verdenking/rechten; uitzonderingen alleen ter waarborging van het onderzoeksdoel.
- Dossierinzage praktisch: Onderzoeks- en hoofdproceduredossiers; inzage van derden beperkt ten gunste van de verdachte.
Sebastian RiedlmairHarlander & Partner Rechtsanwälte „De juiste stappen in de eerste 48 uur bepalen vaak of een procedure escaleert of controleerbaar blijft.“
Praktijk & gedragstips
- Zwijgen bewaren.
Een korte verklaring volstaat: “Ik maak gebruik van mijn zwijgrecht en spreek eerst met mijn verdediging.” Dit recht geldt reeds vanaf het eerste verhoor door politie of Openbaar Ministerie. - Onmiddellijk verdediging contacteren.
Zonder inzage in de onderzoeksdossiers moet geen verklaring worden afgelegd. Pas na dossierinzage kan de verdediging inschatten welke strategie en welke bewijsvergaring zinvol zijn. - Bewijs onmiddellijk veiligstellen.
U dient alle beschikbare documenten, berichten, foto’s, video’s en andere opnames zo vroeg mogelijk veilig te stellen en in kopie te bewaren. Digitale gegevens moeten regelmatig worden opgeslagen en beschermd tegen latere wijzigingen. Noteer belangrijke personen als mogelijke getuigen en leg het verloop van de gebeurtenissen tijdig vast in een geheugenprotocol. - Geen contact met tegenpartij opnemen.
Eigen berichten, telefoontjes of posts kunnen als bewijsmiddel tegen u worden gebruikt. Alle communicatie moet uitsluitend via de verdediging verlopen. - Video- en dataopnamen tijdig veiligstellen.
Bewakingsvideo’s in openbaar vervoer, horeca of van huisbeheer worden vaak na enkele dagen automatisch gewist. Verzoeken tot databeveiliging moeten daarom direct aan beheerders, politie of OM worden gericht. - Huiszoekingen en inbeslagnames documenteren.
Bij huiszoekingen of inbeslagnames moet u om een kopie van het bevel of proces-verbaal vragen. Noteer datum, tijd, betrokken personen en alle meegenomen voorwerpen. - Bij arrestatie: geen verklaringen over de zaak afleggen.
Sta erop dat uw advocaat onmiddellijk wordt ingelicht. Voorlopige hechtenis mag alleen worden opgelegd bij dringende verdenking en een aanvullende detentiegrond. Minder ingrijpende maatregelen (bijv. belofte, meldplicht, contactverbod) hebben voorrang. - Herstel doelgericht voorbereiden.
Betalingen, symbolische prestaties, verontschuldigingen of andere compensatie-aanbiedingen mogen uitsluitend via de verdediging worden afgehandeld en gedocumenteerd. Een gestructureerd herstel kan een positief effect hebben op diversie en strafbepaling.
Peter HarlanderHarlander & Partner Rechtsanwälte „Wie overwogen handelt, bewijs veiligstelt en vroeg juridische ondersteuning zoekt, behoudt de controle over de procedure.“
Uw voordelen met juridische ondersteuning
De nalatige veroorzaking van een brand is een ernstig delict van gevaar voor het algemeen. In het centrum staan de veroorzaking van een brand, het gevaar voor mensen en de aanzienlijke materiële schade. De juridische beoordeling hangt sterk af van de brandoorzaak, verspreidingsdynamiek, gevaarlijke situatie, zorgvuldigheidsmaatstaf en bewijspositie. Reeds kleine verschillen in de toedracht bepalen, of er daadwerkelijk sprake is van een nalatige brandstichting of dat er sprake is van een louter ongelukkige samenloop zonder strafrechtelijke relevantie.
Een vroegtijdige juridische begeleiding stelt zeker dat het ontstaan van de brand, causaliteit, schending van de zorgvuldigheid en toerekening precies worden onderzocht, deskundigenrapporten kritisch worden bevraagd en ontlastende omstandigheden bruikbaar worden verwerkt.
Ons advocatenkantoor
- onderzoekt, of de voorwaarden van een brand juridisch zijn vervuld of er slechts sprake is van een geringer delict,
- analyseert de bewijspositie over de brandoorzaak, ontstekingsbron, verspreiding en bedreiging van personen of andermans eigendom,
- ontwikkelt een duidelijke, realistische verdedigingsstrategie onder inbreng van branddeskundigen en technische expertise.
Als strafrechtelijk gespecialiseerde vertegenwoordiging zorgen wij ervoor dat het verwijt van de nalatige veroorzaking van een brand zakelijk wordt ingedeeld, juridisch zuiver wordt afgebakend en met de geboden consequentie wordt verdedigd.
Sebastian RiedlmairHarlander & Partner Rechtsanwälte „Juridische ondersteuning betekent het werkelijke gebeuren duidelijk te scheiden van waarderingen en daaruit een houdbare verdedigingsstrategie te ontwikkelen.“