Kansspelen worden in principe gedefinieerd als alle spellen waarbij winst of verlies ten minste overwegend afhankelijk is van toeval. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen kansspelen en prijsspelen. Bij een kansspel vindt deelname meestal plaats tegen betaling, terwijl dit bij prijsspelen juist niet het geval is. In Oostenrijk heeft de federale overheid in principe het zogenaamde kansspelmonopolie. Dit betekent dat het in principe aan de federale overheid is voorbehouden om kansspelen te organiseren. Wie dus een kansspel in de zin van de Kansspelwet wil organiseren, moet daarvoor een concessie of vergunning krijgen van de federale minister van Financiën. Er zijn echter enkele uitzonderingen op dit monopolie.
Toegestaan zijn bijvoorbeeld:
- Kansspelen die voor tijdverdrijf worden georganiseerd en waarbij het om kleine bedragen gaat.
- Ook speelautomaten vallen niet onder het federale kansspelmonopolie, mits het gaat om kermisattracties zoals “touwtje trekken”, “rad van fortuin”, “vissen of eenden vangen” of soortgelijke spellen.
Volgens de Kansspelwet zijn concessiehouders en vergunninghouders verplicht om hun reclame-uitingen “op een verantwoorde schaal” te houden. Deze gematigde aanpak wordt geschonden wanneer bijvoorbeeld bijzonder hoge inzetten of gokken met vreemd vermogen wordt gepromoot. Bovendien mag niet worden gesuggereerd dat meer spelen de winkansen verhoogt. Winkansen mogen in reclame in het algemeen niet worden overdreven.
Wie kansspelen organiseert in strijd met de voorschriften van de Kansspelwet, riskeert een administratieve boete tot € 60.000,00. Ook strafrechtelijke gevolgen zijn te verwachten.